Bethlehem

Bethlehem, niet op de motor maar met de servicetaxi vanaf de Damascuspoort in Jeruzalem. In Arabische landen is zo’n servicetaxi gezellig; de nieuwtjes worden er uitgewisseld en je neemt zelf ook deel aan het gesprek, al dan niet met de hulp van een tolk. In deze taxi zijn de mensen ook vriendelijk, eerder beleefd, maar zwijgzaam. De sfeer is bedrukt, er valt hier niet veel te lachen. Ik kan, als buitenlander, maar mee tot het checkpoint. Vandaar moet ik lopen of opnieuw een taxi nemen.

De eerste bezienswaardigheid op weg naar Bethlehem is de Tombe van Rachel. Een heiligdom voor joden, christenen en moslims. Het is eigenlijk een eenvoudig gebouw uit de Umayyadentijd – een koepel en een voorportaal – maar het is volledig ingebouwd in een betonnen constructie en voorzien van wachttorens, prikkeldraad en geblindeerde ramen. Een fort. Het gebouw wordt bewaakt door Israëlische soldaten. Het zijn vriendelijke jongens – eigenlijk nog kinderen, een heeft een beugel – en na het tonen van mijn paspoort – “U houdt van het Midden-Oosten?” – mag ik naar binnen. De deur wordt ontgrendeld en gaat achter mij ook weer in het slot. Heel bijzonder is de tombe niet: onder de koepel staat een sarcofaag, bedekt met een geborduurde zwarte doek zoals ook gebruikelijk in islamitische landen waar het doek groen is. Ik ben de enige bezoeker en ik heb het ook gauw gezien. Het gebouw verlaten is moeilijker dan erin komen; ik moet wachten tot iemand de deur weer ontgrendelt. Dan kan ik, zigzaggend tussen betonplaten, mijn weg vervolgen naar Bethlehem.

Langs de weg staan taxi’s en wachtende mensen. En er ligt vuilnis, zoals gebruikelijk in Arabische landen. In een zijstraat branden autobanden en er staan wat Palestijnse baliekluivers bij. Maar verder is het rustig op straat, erg rustig. Er zijn restaurants, cafés en souvenirwinkels maar geen klanten. De bouw van een nieuw Mövenpick hotel ligt stil. Kinderen gaan naar of komen van school, jongens en meisjes in schooluniformen. Hier en daar verwijzen bordjes naar ontwikkelingsprojecten die door een ander land worden gesteund: België, Japan. Alles ziet er tamelijk goed onderhouden uit. De uitstraling is wel minder welvarend dan in Israël maar echt arm kan ik het niet noemen. Op het plein voor Jezus’ geboortekerk staan agenten in zwarte uniformen. Toeristenpolitie. Veel hebben ze niet te doen want ik ben de enige toerist. Waar ik vandaan kom? Uit Nederland? “Uw minister-president heeft zijn steun toegezegd aan Arafat. Daar zijn wij heel blij mee.” Ik ben ook blij voor ze maar ik kan me niet voorstellen dat de heer Kok iets revolutionairs heeft gezegd. De kerk bezoek ik met gids Nasser, een aardige jongen met kennis van zaken.

De kerk dateert uit de vijfde eeuw en is gebouwd op de resten van een kerk uit de derde eeuw waarvan de vloermozaïeken nog bewaard zijn gebleven. Volgens Nasser is dit de oudste nog functionerende kerk ter wereld. Alle kerken in dit deel van de wereld zijn in de zesde eeuw door de Perzen verwoest, behalve deze. Er zat (nu verdwenen) aan de buitenkant een mozaïek van de drie Wijzen uit het oosten, in Perzisch tenue, en daarom zijn de Perzen er af gebleven. De kruisvaarders – door Nasser aangeduid als “beschermers” – hebben er in de 12e eeuw nog wat aan bijgebouwd maar verder is alles bij het oude gebleven, behalve de toegang. De kruisvaarders hebben de oorspronkelijke monumentale toegang verkleind uit verdedigingsoverwegingen. Nog later is de toegang verder verkleind tot een onaanzienlijk deurtje, volgens Nasser om dieren buiten te houden maar ook om nederigheid te beklemtonen. De kerk is een ‘zaalkerk’: geen gewelven maar een houten dakconstructie. Hij wordt broederlijk gedeeld door Grieks-orthodoxen, Armeense christenen en franciscanen. En ze vieren, gelukkig, het kerstfeest elk op een andere datum. Onder de kerk is een crypte, de grot waarin Jezus geboren zou zijn. Nasser wijst me de plaats aan waar de kribbe zou hebben gestaan – “Hier ongeveer, je moet niet op een meter kijken.” Nasser: “De kribbe waar Jezus in heeft gelegen hebben de Italianen meegenomen. Die kun je nu in Rome bewonderen. Deze is uit de Middeleeuwen.” Volgens Nasser was het heel gebruikelijk dat mensen in grotten woonden; Bethlehem was maar een klein stadje en alleen de rijken konden zich een huis veroorloven. Voor Nasser’s rondleiding heb ik twintig shekel betaald en vijf shekel tip. Hij had me graag ook nog wat van de omgeving van Bethlehem willen laten zien, met zijn auto, maar dat kost honderd shekel en daar begin ik niet aan.

Jezus’ geboortekerk in Bethlehem.

Jezus’ geboortekerk in Bethlehem. In drie fasen is de toegang verkleind, om verdedigingsoverwegingen en om nederigheid te beklemtonen.

De mannen van de toeristenpolitie op het plein voor de kerk hebben niets te doen en zijn verlegen om een praatje. De commandant doet het woord. “Is het waar dat in uw land twee mannen … hahaha … met elkaar mogen trouwen?” Ik: “Dat klopt.” De agenten slaan zich op de knieën van het lachen. Ik wacht totdat ze uitgelachen zijn. “Wilt u ook weten hoe dat zit?” De commandant wil het weten. Ik leg uit: wij hebben een burgerlijk huwelijk en een kerkelijk huwelijk, trouwen voor de staat en voor God, de staat handelt zonder aanzien des persoons, gelijkwaardigheid, persoonlijke vrijheid; kortom: alle argumenten waarmee het homohuwelijk is beklonken. De commandant vertaalt voor zijn troep. Na mijn uitleg gaan de mannen in beraad; er moet een groepsoordeel komen. De commandant: “In uw land zijn er dus twee huwelijken? De staat behandelt ieder hetzelfde? Dat is goed maar gek blijft het natuurlijk wel.” En zo is weer een onderwerp geboren voor een gesprek in de servicetaxi.

Na het bezoek aan Christus’ geboortekerk heb ik nog wat door Bethlehem gelopen maar veel valt er niet te beleven. Opvallend zijn de vele muurplakkaten: een zwartwitte met het portret van een somber kijkende jongeman (een zelfmoordenaar?) hangt overal en verder affiches van mannen die triomfantelijk een geweer heffen. Opbeurend is dat niet. Om drie uur verlaat ik Bethlehem weer. Bij het checkpoint vraagt een man hoe ik het heb gevonden en of het terecht is dat de toeristen wegblijven. Ik kan alleen maar zeggen dat tijdens mijn bezoek Bethlehem rustig was. Jeruzalem is ook rustig, heel rustig, want er is een minister (van Toerisme) doodgeschoten. Het schijnt een erg rechtse rakker geweest te zijn, zo een die bij voorkeur nieuwe toeristische attracties wil ontwikkelen op plaatsen waar veel Arabieren wonen en die daarvoor moeten opkrassen. De Palestijnen hebben nu blijkbaar ook een assasination policy, zoals de Israëliërs al een tijdje in praktijk brengen. Daar had je natuurlijk op kunnen wachten. Overigens vibreert Jeruzalem ook zonder moorden niet echt.

Dit bericht werd geplaatst in 2001: Midden Oosten, Midden Oosten en getagged met , , , . Maak dit favoriet permalink.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s