Sjaloom

Ik kwam in Israël via de grensovergang bij Rafah in de Gazastrook. Liever had ik de grensovergang bij Taba/Eilat gebruikt: veiliger en nog een tocht door de Sinaï ook. Van El Arish aan de Middellandse Zee – ik heb er twee dagen aan een wit strand doorgebracht – loopt een weg dwars door de Sinaï naar Taba. Maar het mocht weer eens niet: “Foreigners are forbidden to leave the main road” staat overal op bordjes. Bij de politie is geen permit los te peuteren: “security reasons”. De Sinaï is militair gebied. Buitenlanders mogen alleen de kustweg gebruiken waarlangs ook de touristresorts, de geldmachines van Egypte, liggen. De kustweg naar Taba nemen betekent helemaal om de Sinaï heen rijden: zeshonderdvijftig kilometer en een omweg van meer dan vierhonderd kilometer. Dat vind ik te veel.

Rafah dus, 50 kilometer van El Arish. Aan de Egyptische kant van de grens staat een heel lange rij mensen, bepakt en bezakt, in toom gehouden door de grenspolitie (Egypte heeft politie in alle soorten en maten). Ik krijg een VIP-behandeling: ik hoef niet in die rij maar mag meteen doorrijden naar de politie die de bagage controleert op de aanwezigheid van explosieven en wapens. Alle bagage moet van de motor af en alles moet ook open. Ik steun en jammer. Dat is onnodig theater want de politieman doet eigenlijk niet meer dan een beetje neuzen. De andere passanten, Palestijnen, worden grondiger onderzocht. Ik mag de bagage weer opladen en dan door naar het migratieloket. Daar moet ik wel even met het gewone volk vechten om de aandacht van de ambtenaren. Maar ik heb een bordeauxrood paspoort en dat steekt nogal af tegen het olijfgroen van de Palestijnen en ik win gemakkelijk vanwege de nieuwsgierigheid. Het paspoort wordt verwerkt door een hele rij ambtenaren: dossier open, formulier invullen, paraaf zetten, dossier dicht en naar de volgende. Welke administratie hier wordt verricht ontgaat me maar dat is bij elke grens zo en ik heb geen belangstelling meer voor de diepere betekenis van al die handelingen. Het paspoort komt terug, het uitreisstempel wordt gezet en het reçu van de uitreiskaart verwijderd.

Ik kan naar het volgende circus, de douane: paspoort tonen, eenentwintig pond douanebelasting betalen en dan naar Mister Mohammed voor de uitklaring van de motor. Mister Mohammed is gauw gevonden in een van de bijgebouwen. Hij ontfermt zich over het Carnet de Passage: vult in, scheurt uit, stempelt. Hij weet hoe het hoort. Even dreigt er een kink in de kabel te komen: hij heeft geen blanco papier meer en er moet nog een verklaring worden opgesteld. Dat papier heb ik wel. Hij vouwt het velletje zorgvuldig dubbel, schuift er een carbonpapiertje tussen en maakt zo zijn verklaring in tweevoud op. Met mister Mohammed maak ik de gang langs de douaneburelen. Eerst is het “mister Mathew” maar gaandeweg wordt mister Mohammed familiair en is het gewoon “Mathew”. Tussendoor helpt hij nog anderen met in- en uitklaringszaken. Hij zucht “I have one more car to do, I need a break”. Ik troost hem: als hij mij heeft afgewerkt kan hij zoveel breaken als hij wil. Het is een aardige man. Na de burelendans komt de bagage-inspectie. Ik zeg dat dat al gedaan is door de politie maar mister Mohammed antwoordt vriendelijk: “Dat is voor wapens en explosieven, ik ben voor de douanecontrole”. Weer moet alles van de motor af, maar veel meer dan een beetje neuzen doet ook mister Mohammed niet en alles mag weer worden opgeladen. Dan de laatste akte: hij schrijft een verklaring op een stukje papier voor de politieman bij de poort, geeft me een hand en wenst me goede reis. Nu heb ik een break nodig. Ik koop een flesje cola en een pakje Marlboro van mijn laatste ponden. Daarvoor moet ik weer de douanehal in, nu eigenlijk verboden gebied want ik ben uitgeklaard maar geen haan die ernaar kraait. Als ik wegrijd naar de poort is het bureau van mister Mohammed gesloten; hij heeft ook zijn break.

Bij de poort geef ik het papiertje van mister Mohammed af en toon mijn paspoort, voor de tiende maal inmiddels. De poort gaat open; ik mag doorrijden tot de slagboom. Die gaat niet open; ik moet wachten. Waarop en hoe lang? In de verte wappert de Israëlische vlag. In het Egyptisch vacuüm tussen poort en slagboom staat ook een autobus en daar ga ik maar bij staan. Met een van de passagiers raak ik aan de praat. Het is een gezette man, keurige kleren en hij spreekt goed Engels; niet van de straat. Hij heeft een nekverband om. “Zeg maar een auto-ongeluk” antwoordt hij vaag op mijn vraag hoe dat zo gekomen is. We praten over de problemen en het lijden van de mensen. Hij vindt dat beide partijen water in de wijn moeten doen, Palestijnen en Israëliërs. En wat betreft het lijden: ja, zo’n grensovergang is een heel gedoe. Glimlachend: “Vandaag wacht ik al vijf uur en in totaal bijna twee weken”. De grens is twee weken gesloten geweest. Hij heeft wel geluk: hij heeft kunnen wachten in El Arish en daar moet je geld voor hebben. Ik vraag wat zijn beroep is. Businessman? Nee, hij is lid van het Palestijnse parlement, de ondervoorzitter om precies te zijn. Hij wijst naar een man in een wit overhemd: een minister. Die wacht ook al twee weken. Voor mij gaat hij vragen waarom ik moet wachten en hoe lang. De verklaring is heel Egyptisch: het is vrijdag, de grenssoldaten zitten in de moskee te bidden en er is niemand die bevoegd is de slagboom te openen. Als ze klaar zijn met bidden, dan gaat de slagboom open. Plotseling komt er beweging hoewel de grenssoldaten nog niet terug zijn: de passagiers moeten de bus in en ik op de motor. De slagboom gaat omhoog en we mogen doorrijden tot aan het Israëlische hek.

Ik sta schuin achter de bus en in de verte zie ik een groepje Israëliërs rondhangen maar ze maken geen aanstalten iets te gaan doen. Het is warm, erg warm en in de bus is het vast en zeker heel erg warm. Een Egyptische grensofficier roept me toe dat ik moet doorrijden tot vóór de bus. De bedoeling is duidelijk: de Israëliërs kunnen me dan goed zien en doen dan misschien wat. Het helpt: voor mij gaat het hek open, voor de bus niet. Ik mag nu doorrijden tot de Israëlische slagboom. Die wordt bemenst door twee leuke meisjes in kogelwerende vesten en door een knaap met een spiegelzonnebril, het standaardattribuut van elke veiligheidsdienst in het Midden-Oosten. Paspoort tonen en dan mag ik doorrijden tot de douanegebouwen.

Daar staat een jongeman op me te wachten. Hij wijst me een plek aan voor mijn motor, in de schaduw. De bagage moet er af en hij zorgt voor een vliegveldkarretje waar alles opgeladen kan worden. De jongeman gaat me voor. De eerste hal is vol met Palestijnen; die gaan we voorbij. De tweede hal is leeg en die is helemaal voor mij. Het is er aangenaam airconditioned, niet zo zweterig als bij de Egyptische collega’s. Het personeel komt uit de andere hal (en laten dus de Palestijnen wachten). Alle handelingen worden gelijktijdig uitgevoerd: toelating, inklaring van de motor, bagagecontrole. De bagagecontrole is minutieus: eerst gaat alles door een röntgenapparaat en daarna wordt de bagage handmatig gecontroleerd. Alles wordt uitgepakt en moet open. Alles, tot de medicijnendoos en het filmbusje toe. Wat het begrip van de dames en heren te boven gaat leg ik uit: dat zijn remblokken, dat zijn kettingtandwielen, dat zijn kabels, etc. Wat niet open kan gaat nogmaals door het röntgenapparaat en wordt grondig bestudeerd: radio, fototoestel, doos met tandwielen. Mijn radio moet ik op een tafel zetten en aanzetten; het personeel kijkt van veilige afstand toe. Ook de motor wordt onderzocht. Het zadel moet er af, ze weten hoe dat moet en ik geef ze de sleutels. Merkwaardigerwijs worden mijn tas en rugzakje niet aan een handmatige inspectie onderworpen. Daarna mag alles weer worden ingepakt. Er wordt vriendelijk gevraagd of ze me daarbij kunnen helpen maar dat doe ik liever zelf. Ik heb een systeem en dat wil ik zo houden. Als ik klaar ben mag alles weer op het karretje en kan ik de motor beladen. Buiten in de rij voor de andere hal staat de ondervoorzitter van het Palestijnse parlement. Hij wenst mij goede reis en ik wens hem veel sterkte. Dat heeft hij hier wel nodig.

Ik mag vertrekken maar moet me melden bij de uitgang van de grenspost. Daar staat een legerjeep … escorte! Het is voor mij een open zenuw geworden, escorte, maar het valt mee, slechts bedoeld voor het stuk langs de Egyptische grens, ongeveer vijf kilometer. Dan buigt de weg van de grens af naar Be’er Sheva. Er is nog een laatste controlepost en dan ben ik vrij man. Ik was om tien uur aan de Egyptische grens, het is nu vier uur.

Dit bericht werd geplaatst in 2001: Midden Oosten, Midden Oosten en getagged met , , , . Maak dit favoriet permalink.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s