Het is verschrikkelijk…

Het is verschrikkelijk! Ik doel niet op de aanslag in de Verenigde Staten, dat is pas echt verschrikkelijk, maar op mijn eigen kleine besognes met de politie. Verschrikkelijk, wat word ik daar gaar van; van de politie in het Nijldal en vooral van de politie in Minya.

Minya lijkt nog meer op een bezette stad dan Asyut of Aswan. De politie heeft liever niet dat ik het hotel verlaat: ik kan toch heerlijk eten in het restaurant op de zesde verdieping en is de hotellobby niet gezellig en airconditioned? ‘s Ochtends word ik om kwart voor acht uit bed gebeld door de receptie met de vraag wat ik vandaag van plan ben. Dan kunnen ze vast de politie informeren. Ik ben van plan om wat te wandelen langs de Nijl en ’s middags Zawwiyyet al Mayyiteen – de stad van de doden, een begraafplaats – te bezoeken. Voor het wandelen door de stad krijg ik een bodyguard mee: een ezel in een lang hemd, met een portofoon en een pistool. Hij loopt zo ongeveer op mijn hielen en is druk met zijn portofoon: “De Hollander is naar de telefooncentrale geweest”, “de Hollander is naar de bank geweest”, “de Hollander loopt langs de Nijl”, “de Hollander…”. Allemaal luid en met veel gekraak. In de theetuin zit hij in mijn nek te loeren. Het wordt me te veel als hij wat kinderen wegjaagt die om bakshees vragen. Dat heeft niks met protectie te maken, dat zijn mijn zaken. Ik besluit de kwast te lozen en neem een paardenkoets. James Bond wil ook instappen maar dat verbied ik. De koetsier rijdt stapvoets en als ik zeg dat hij door moet rijden wijst hij op de bodyguard en weigert te doen wat ik vraag. Het wordt me teveel; ik spring uit de koets en zet het op een lopen, straat in straat uit tot ik 007 kwijt ben. De manager van het toeristenbureau in Minya – “Vorige week één klant gehad en Minya heeft veel te bieden, meneer.” – doet iets verstandigs: hij luistert gewoon en dat kalmeert. Hij regelt bovendien een taxi voor me naar Zawwiyyet (“Neemt u een taxi, dan hebt u geen last van de politie”). We komen buiten en daar … zit James Bond weer op de stoep. De manager duwt me gauw de taxi in.

Zawwiyyet al Mayyiteen: de stad van de doden, een begraafplaats

Zawwiyyet is een begraafplaats, de grootste ter wereld.

Zawwiyyet ligt op de oostoever, het is niet ver en de taxichauffeur is een aardige man. Zawwiyyet is een begraafplaats, volgens de Lonely Planet de grootste ter wereld: een zee van koepeltjes, wit, leemgeel, lichtgroen en lichtblauw. En daar tussendoor een doolhof van steegjes. Ik krijg een rondleiding van Hassan el Shark. Hassan is een enthousiaste man. Hij sleept me grafhuis in grafhuis uit: “kijk, hier liggen er vier”, “dit is een hele familie”, “ja, ik heb ook zo’n grafhuis”, “hier liggen geen kopten, die liggen daar”. Hij beklimt koepeltjes met me zodat ik overzicht kan hebben, sjouwt steegjes met me door. Uiteindelijk beland ik in zijn atelier. Hassan is behalve gids vooral kunstenaar. Hij is autodidact, dat wat de Fransen een ‘naïeve’ noemen. Ik vind dat hij prachtig werk maakt; het is kleurig, het is vrolijk, het is fantasievol, het is geweldig. Dat heb ik nog nergens in Egypte (en in het hele Midden-Oosten) gezien. En ik ben niet de enige die zijn werk prachtig vindt; hij heeft tentoonstellingen gehad in onder meer Duitsland, Tsjechië, de Verenigde Staren, Colombia. Hij heeft er hele fotoboeken vol van en hij laat ze enthousiast zien: krantenknipsels, uitnodigingsbrieven, foto’s van recepties – allemaal heren in smoking en dames in het lang en daartussen kleine Hassan, ook in het lang – en foto’s van lessen aan kunststudenten en van landschappen en huizen. Hij vertelt en zijn zoon vertaalt. Hij heeft nog een dochter, die komt ook kijken, ze zit op de kunstacademie in Minya; het wordt dus El Shark & co. Het is gezellig maar ja, de taxi wacht. Ik beloof terug te komen om zijn werk te bekijken.

De volgende dag informeer ik de receptie braaf: ik wil eerst naar Beni Hassan en dan naar Hassan el Shark; op de motor want een taxi is te duur. Beni Hassan is een complex van tombes uit het Middenrijk, ligt op de oostoever ongeveer twintig kilometer van Minya en tien kilometer van Hassan el Shark. Ik krijg een escorte, een gepantserde four-wheel drive met schietgaten waarvan er een direct naar achter wijst, naar mij. Het escorte volgt de westoever. Halverwege wordt het escorte gewisseld want we zijn aan de grens van Minya. Als ik vraag hoe ik nu in Beni Hassan op de oostoever kom is het antwoord: “U kunt het veer nemen en dat kost u niks.” De veerman mag het gelag betalen. Op de vraag hoe ik vervolgens bij Hassan el Shark kan komen blijft men het antwoord schuldig. Ik ben omgedraaid, met honderdveertig kilometer per uur en zonder escorte naar Minya teruggereden, de brug over waar ze me wilden tegen houden en langs de oostoever naar Beni Hassan. De rit naar Beni Hassan is prettig, door een mooi rivierenlandschap, en niemand legt me een strobreed in de weg. Mijn aankomst veroorzaakt wel wat opschudding, want zonder escorte.

Beni Hassan is een complex van ongeveer dertig tombes waarvan er vier toegankelijk zijn. En die zijn de moeite waard: ze zijn vol met muurschilderingen die het dagelijks leven, dansen en worstelpartijen uitbeelden. Vooral de worstelpartijen zijn geweldig: een aaneenschakeling van poses van steeds twee schetsmatig weergegeven naakte mannen; het is net Keith Haring avant la lettre. Volgens de Lonely Planet doen de heren op de schilderingen ook nog ’iets anders’ dan worstelen. Ik heb dat niet kunnen ontdekken, volgens mij was het gewoon worstelen. Wat doe je als je een naakte vent wilt vloeren? Juist, ja. Bij het bezoek aan de tombes ben ik vergezeld van zes zwaar gewapende mannen. Ik ben de enige buitenlander en er zijn verder een paar Egyptische families, niet voorzien van protectie.

Inmiddels is mijn opstand op de westoever via de portofoon doorgedrongen tot de oostoever. De plaatselijke commandant spreekt me vermanend toe maar is vriendelijk en trakteert op Fanta. Zo kan hij mij een tijdje bezig houden en een escorte regelen voor de weg terug. Hij belooft dat ik naar Hassan el Shark mag en daar ga ik weer, vergezeld van twee jeeps. Hassan komt naar buiten om me te verwelkomen. Het escorte moet voor het atelier van Hassan gewisseld worden en het nieuwe escorte komt niet opdagen. Hassan en ik mogen niet naar binnen, we moeten wachten tot het nieuwe escorte is gearriveerd. Moet ik huilen of lachen? Hassan lacht me bemoedigend toe. We wachten een half uur, tot het escorte eindelijk is gearriveerd en de eerste vraag is: “Hoe lang denkt u hier eigenlijk te blijven?” Ik heb een leuk uur met Hassan doorgebracht. Werk bekeken, mogelijke aankopen uitgezocht en onderhandeld over de prijs. Ik heb er een gekocht. Voor de prijs van vierhonderd pond, iets minder dan honderd dollar. Hassan kent de kunstprijzen: glimlachend laat hij mij de prijskaartjes zien op de achterzijde van enige werken die hij in Colombia heeft geëxposeerd. Er is er geen onder de vierhonderdvijftig dollar. Ik krijg een vriendenprijs. De onderhandelingen lopen via zijn zoon, die spreekt een beetje Engels: “Vijfhonderd pond”. Hassan komt ertussen, pakt pen en papier en tekent ’500’, zet er een streep door en zet daaronder ’400’ en kijkt vervolgens zijn zoon aan. Die laat zijn vader begaan. Ik vind het goed; ik heb vierhonderd pond over voor een echte el Shark. Ik krijg ook nog wat foto’s van hem van ander werk en hij verpakt mijn aankoop in een keurige kartonnen koker. Dan komt de sergeant en moet ik weg. Met escorte naar Minya, tot voor het hotel en ze kijken of ik ook naar binnen ga.

Hassan el Shark voor zijn atelier.

Hassan el Shark, met dochter en zoon en het kunstwerk dat ik van hem kocht.

Mijn gedrag heeft nogal opschudding veroorzaakt. Er staan agenten voor de deur en in de lobby zit de chef van de veiligheidsdienst. De hotelmanager en de receptioniste kijken gespannen toe. De chef legt me nog een keer de regels uit, zegt dat het voor mijn eigen bestwil is en beveelt nadrukkelijk het restaurant op de zesde verdieping aan. De chef heeft gelijk, wat het restaurant betreft. Het is goed, het uitzicht over Minya en de Nijl romantisch en, heb ik ontdekt, het restaurant is een ontmoetingsplaats voor jongens en meisjes. Het gaat er keurig aan toe: jongens en meisjes zijn paasbest gekleed, ze zitten samen aan een tafel en drinken cola of mangosap. Soms zijn ze met een groepje, ik denk dat dat het geval is bij de eerste kennismaking. Als het ijs gebroken is, gaan ze even apart aan een tafeltje zitten maar ze worden door de anderen wel in de gaten gehouden. Als het een relatie is geworden komen ze als stelletje, ook weer keurig aan een tafeltje, de jongen vraagt het meisje wat ze wil drinken, etc. Soms staan ze even op om voor het raam te kijken naar het uitzicht over de Nijl. Dan kunnen ze meteen elkaar ook eens in een andere houding bemonsteren. Het is heel voorzichtig en heel lief.

Tegen het dringende advies van de veiligheidschef in ben ik toch ’s avonds buiten naar een bruiloft gaan kijken. Arabische bruiloften zijn doorgaans tamelijk stijf. Het feest speelt zich af in een zaal of open ruimte met stoelen in rijen voor de gasten en aan het aantal stoelen kun je de welstand en het familiebelang aflezen. Op een podium zit het nieuwbakken echtpaar op een troon of goudkleurige hartvormige stoelen. Ze kijken erg gespannen alsof er iets vreselijks staat te gebeuren. Hier niet; deze bruiloft is leuk. Muzikanten met tamboerijnen, trommels en een trompet en zangers en dansers te midden van een grote kring klappende, zingende en lachende gasten en omstanders die me naar voren duwen zodat ik het allemaal goed kan zien. De bruidegom trok wel een gezicht alsof hij in een doodsstrijd was verwikkeld maar zij lachte verlegen gelukkig. Vrouwen kunnen zo’n situatie toch beter aan dan mannen. Ik had agent 007 weer bij me. Blijkbaar had iemand hem enig onderricht gegeven want hij liep tenminste niet meer op mijn hielen en riep deze keer niks in zijn portofoon. Hij liep er wel apetrots mee rond en hij joeg weer kinderen weg. Ik heb me er maar bij neergelegd.

De volgende dag heb ik Minya gedag gezegd; ik kon niet nóg een confrontatie met de politie aan. De chef van de veiligheidsdienst komt en vraagt me een verklaring op te maken waarin staat dat ik geen escorte wil en dat ik bij mijn volle verstand ben. Ik heb daar deze keer niet om gevraagd en ben daarom achterdochtig. Hebben ze een aanslag in petto om de noodzaak van een escorte te bewijzen? Het ligt vermoedelijk eenvoudiger: het is vrijdag en dus eigenlijk een vrije dag. Niettegenstaande mijn verklaring ben ik op de weg van Minya naar Faiyum vier maal tegengehouden; steeds weer opnieuw uitleggen dat ik zonder escorte mag reizen. Het is gelukt! Ook van Faiyum naar Caïro reed ik zonder escorte. Behalve bij het bezoek aan de mastaba van Meidum: daar waren weer alle wapens op me gericht.

 

Dit bericht werd geplaatst in 2001: Midden Oosten, Midden Oosten en getagged met , , , , . Maak dit favoriet permalink.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s