Kumsan

Kumsan’s naam zou ’shirt’ betekenen. Waarom iemand zijn kind ’shirt’ noemt is mij een raadsel. Kumsan is schoenpoetser en behoort, binnen zijn beroepsgroep, tot de elite. Dat kun je aan alles merken. Hij heeft goed materiaal en een vaste werkplek tegenover het Winterpaleis, veruit het duurste hotel van Luxor. Driehonderd dollar per nacht, weet Kumsan. “Hoe weet je dat? Ben je daar binnen geweest?” Hij wordt door de directie vaker binnen geroepen om schoenen van gasten te poetsen, zodoende. Hij vertelt dat de directie hem een vaste werkplek in het hotel heeft aangeboden maar dat aanbod heeft hij afgeslagen. Op straat denkt hij meer te verdienen. Kumsan heeft grote afkeuring voor homo’s. Ik begrijp hem wel, zijn kritiekpunt is de aan- en verkoop van bodies. Zo doet de herenliefde zich in Egypte (niet alleen in Luxor) in elk geval voor. “You see those men? They are gay!” “Maybe they love each other, Kumsan?” “No, the older man pays the younger, I know them!” Uit wat uitlatingen vermoed ik dat hij zelf maar net de dans van de betaalde liefde is ontsprongen. En zijn zelfrespect is daarbij in het geding gekomen. Ik ontwijk dit onderwerp verder om een beginnende vriendschap niet te frustreren.

Ik heb Kumsan uitgenodigd voor een motortochtje naar de andere oever van de Nijl via de brug. Dat wou hij wel en we spraken af dat ik hem om vier uur op zijn werkplek zou ophalen. Daar stond hij: in een net blauw Egyptisch hemd, zwarte schoenen en bordeauxrode sokken. Een heer, hij had zich voor het uitstapje gekleed! Op het terras van het theehuis merkt Kumsan op dat 50 kilometer rijden wel veel is om aan de overkant van de rivier te komen: “I can see the Winterpalace. We could have swim.” Hij zit een beetje te piekeren. De vorige avond heeft hij zijn broer ruzie horen maken met diens vrouw. Vanmorgen was de vrouw met de kinderen vertrokken naar haar familie in Dandara. Hij piekert of hij nu naar Dandara zal gaan om haar te overreden terug te komen. Omdat ik vermoed dat hij hengelt naar een ritje naar Dandara (zestig kilometer heen en zestig kilometer terug en het is vijf uur ’s avonds) zeg ik dat het misschien verstandig is de zaak een beetje te laten betijen. Dat is Kumsan niet met me eens; het zou uitgelegd kunnen worden als ongeïnteresseerdheid. “Misschien moet je broer zelf gaan”, probeer ik. Ook dat vindt Kumsan niet zo’n verstandig idee. Hij is bang dat zijn broer weer ruzie maakt. Nee, hij moet gaan of zijn moeder. Er is blijkbaar een bemiddelaar nodig om de gezichten aan beide zijden te redden. “En wat als het niet lukt, Kumsan?” “Dan moet ik een nieuwe vrouw voor hem zoeken.” zucht hij. Hier komt een stukje eigenbelang om de hoek kijken: zolang zijn broer niet onder de pannen is, hoeft Kumsan zelf niet aan trouwen te denken. En dat wil hij wel, over een paar maanden, met zijn buurmeisje. Het probleem van zijn broer is een lelijke streep door de rekening.

Kumsan dringt er op aan dat ik mee naar zijn huis zal gaan. Ik heb daar niet zoveel zin in maar het is de Arabische manier om een vriendschap te bezegelen – alleen vrienden breng je in huis – en dus geef ik toe. We gaan er op de motor naar toe. Hij woont in Luxor, een beetje achteraf, aan een ongeplaveid stoffig straatje. Het is een tweekamerhuisje van baksteen en in dat huisje woont een grote, voor mij onontwarbare, familie (“Nee, dat is niet mijn zuster, maar de vrouw van…”). Vooral veel kinderen; ik schat dat er minimaal 10 mensen in dat huisje wonen. Het is ’nette armoede’, de armoede die hoort bij een kleine maar regelmatige inkomensstroom. Waarschijnlijk is Kumsan de voornaamste generator van die inkomensstroom, hij heeft iets pater-familias-achtigs. Hoewel er een vader is – moeder blijkt met broerlief naar Dandara – deelt Kumsan duidelijk de lakens uit. Of ik cola wil? Ik houd niet van cola, maar zeg toch ja. Ik heb de thee betaald en hij moet een kans hebben iets terug te doen. Zo hoort dat hier. Kumsan stopt een van de kinderen wat geld in de hand en stuurt het weg. Het jochie komt terug met één flesje Cola, voor mij. Om die verfrissing goed te kunnen waarderen is enige achtergrondinformatie nodig. Er zijn flesjes en blikjes en die hebben ongeveer dezelfde inhoud maar blikjes zijn twee keer zo duur. Het kopen van een blikje is dus eigenlijk geldverkwisting en voorbehouden aan mensen die geld over hebben: de middenklasse of mensen die pretenderen tot die klasse te behoren. De familie van Kumsan heeft duidelijk de flesjesstatus, niet de blikjesstatus en hij pretendeert dat ook niet. Hij is eerlijk. Ook in de flesjes zit enige hiërarchie: Cola heeft de hoogste status, gevolgd door Sprite en Fanta. Kumsan geeft dus het beste dat binnen zijn bereik ligt. Het was verstandig om de cola niet af te slaan.

Ik vraag Kumsan of ik een foto van hem mag maken. Dat mag, maar hij wil wel op de motor poseren. En daarna wil hij graag naar zijn werkplek gebracht worden. Hij wil gezien worden op de motor: hier een bekende groetend, daar minzaam zijn hand opstekend; ik kan het zien in het spiegeltje. Hij moet nog aan de slag. Ik heb zijn beste uren gebruikt: donderdag namiddag.

Kumsan poseert op de motor.

Ik vraag Kumsan of ik een foto van hem mag maken. Dat mag, maar hij wil wel op de motor poseren.

 

Dit bericht werd geplaatst in 2001: Midden Oosten, Midden Oosten en getagged met , , . Maak dit favoriet permalink.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s