Luxor en hoe daar te komen

De tocht van Asyut naar Luxor zal ik niet licht vergeten. Om elf uur was ik klaar voor vertrek en vroeg de portier van de YMCA de politie te informeren. Vijf minuten later waren ze er al, acht man sterk in twee politieauto’s, four-wheel drives. Het vertrek was voorspoedig: een stevige snelheid en geen oponthoud bij de vele politieposten. Zo’n escorte is wel handig maar niet erg ontspannend. Gelukkig zou het maar tot de gemeentegrens zijn. Na dertig kilometer stopte het escorte, we waren bij de gemeentegrens. En daar… stond een nieuw escorte, dit maal twee blauwe pick-ups met zes agenten. Dat escorte was wat slordiger dan het voorgaande: ze lieten gaten vallen en er kwamen andere auto’s tussen, misschien wel vol terroristen. Twintig kilometer verder was blijkbaar de actieradius bereikt. We stopten, ik moest maar even wachten, er werd wat gekletst door een portofoon en, ja hoor, het volgende escorte. Ditmaal een enkele pick-up; de bescherming werd minder. Dit escorte reed ongelofelijk sloom en ik dacht dat ik er wel tussenuit kon knijpen. Na een tijdje kwam ik bij een politiepost waar ik moest wachten op het escorte. De portofoon… Daarna een escorte van een pick-up met drie agenten; ze kletsten lekker met elkaar en reden een slakkengangetje van zo’n veertig kilometer per uur. Het begon me te vervelen en zo zou ik nooit op een redelijk tijdstip in Luxor aankomen. Daarna een pick-up met twee agenten en toen een enkele agent in een taxi. Bij de volgende stop was er weer een escorte en toen ben ik vreselijk boos geworden: “Now I want to drink tea and no police anymore!” Het hielp, het escorte werd ter plaatse opgeheven. Heerlijk, weer gewoon alleen op pad. Bij Nag Hamadi is een wegsplitsing met een politiepost. Ik vroeg daar welke weg naar Qena en Luxor leidde. Dat had ik beter niet kunnen doen: geen antwoord op mijn vraag maar wel “one minute please” en daar begon het geklets door de portofoon weer. Toen had ik het wel gehad, definitief. Ik heb gas gegeven en ben doorgereden. Ik was wel even bang. Wat zouden ze doen? Schieten? De volgende politiepost waarschuwen en me arresteren? Bij de volgende politiepost, bij de brug over de Nijl, stond een beleefde agent die me welkom heette en de weg naar Qena en Luxor wees. Om half zes was ik eindelijk, uitgeput en uitgedroogd, in Luxor. Bijna zeven uur rijden over driehonderd kilometer! Zo’n politie-escorte is er voor je veiligheid, zeggen ze, want er zouden terroristen zijn. Maar het geeft geen veilig gevoel. Stel je voor: je bent terrorist en je zit in het suikerrietveld te kijken naar het verkeer op de weg. Je ziet twee politieauto’s met daartussen een motorrijder. Dan denk je: “Dat moet wel een belangrijk pakketje zijn.” Je legt aan en in no time is de motorrijder een engeltje. Wat kan de politie dan nog doen?

Net als Caïro heeft Luxor zijn zwerm mensmuskieten. Hier gaat het om de verhuur van taxi’s, paardenkoetsen en feluccas en om de verkoop van souvenirs, albasten spullen en zichzelf: “Do you want Egyptian banana, you know what I mean.” Het is heel vervelend en het politie-escorte zat me ook nog hoog. En dan is het altijd de verkeerde die het moet ontgelden. In dit geval was het een schoenpoetser die eigenlijk heel aardig was. “I see you are angry; did they hassle you?” “Donder op!” “I clean your shoes for free if that makes you happy.” “Donder op!!” “I don’t hassle you, money is not everything.” “Donder op!!!”. Uiteindelijk droop hij af en ik had er onmiddellijk spijt van. Hoe maak je zo iets nu weer goed? De volgende dag ben ik hem weer tegen het lijf gelopen en heb een afspraakje gemaakt voor het poetsen van mijn motorschoenen (“How much?” “What you like.” Dat is zó Arabisch!). Gisteren heeft hij mijn motorschoenen gepoetst en mijn handschoenen en mijn sandalen. Ik heb hem tien pond betaald. Als tegenprestatie heeft hij me getrakteerd op een flesje Sprite. Leuke jongen, Kumsan, tweeëntwintig jaar, heeft Engels op straat geleerd en nooit een school van binnen gezien. Hij was net klaar met mijn schoenen, wilde Sprite gaan halen toen er een vent kwam die op commandotoon iets tegen hem zei. Blijkbaar was het niet heel urgent want Kumsan ging toch eerst voor de Sprite en daarna aan het werk voor zijn nieuwe klant. Volgens Kumsan een “secret agent”. Dat verstond de man, hij schoof zijn jasje op en toonde grijnzend een pistool in zijn broekband. Kumsan poetst zijn schoenen gratis, om problemen te vermijden. Volgens hem hebben deze mensen alles gratis. Ze laten hun schoenen poetsen zonder te betalen, ze nemen een taxi zonder te betalen, ze winkelen zonder te betalen.

De tempel van Luxor, mijn kennismaking met de architectuur van het faraonische Egypte, is een ritme van vormen. Ik kan geen beter woord vinden, maar dat is het ook, het is een ritme. Vooral de entree vond ik geweldig: de met sfinxen afgezette weg, de pylonen (trapeziumvormige bouwwerken) met daarvoor de obelisk – er stonden er oorspronkelijk twee maar een is verhuisd naar Parijs en laat hier een pijnlijk lege plek achter – en de enorme beelden van farao Ramses. Achter de entree ligt een zuilengalerij. De zuilen staan heel dicht op elkaar en dat is een beetje beklemmend. Ik zie dat de zuilen ooit beschilderd waren en het kan zijn dat de kleurenpracht de galerij vroeger minder beklemmend maakte. De tempel van Karnak is zo mogelijk nog monumentaler dan die van Luxor. Het is een enorm complex. Met pylonen is de ruimte ingedeeld en deze is opgevuld met zuilen, obelisken en beelden. Het is geweldig! Het is massaal. Het is onbegrijpelijk dat die tempelcomplexen tot ruïnes zijn geworden; hoe kan zo’n enorme massa tot een ruïne worden? In het Egyptisch Museum van Caïro maakte ik kennis met de kunst van het oude Egypte. Ik vond de beelden ‘types’, geen op zichzelf staande kunstwerken. Wat ik me toen niet realiseerde, maar nu wel, is dat die beelden onderdeel vormden van een architectuur. Ze werden niet gemaakt om op zichzelf beschouwd te worden maar als onderdeel van een compositie.

De Avenue van de Sfinxen en de tempel van Luxor op de achtergrond.

De Avenue van de Sfinxen leidt naar de tempel van Luxor.

In de tempelcomplexen wemelt het van de suppoosten en agenten van de toeristenpolitie. De suppoosten proberen je met een geheimzinnig glimlachje naar een achteraf deel van de tempel te lokken. Daar zou iets heel speciaals te zien zijn, maar het blijkt een niemendalletje en de bedoeling is: bakshees. Iedere suppoost probeert het! De agenten fluiten of klakken met hun tong om je aandacht te trekken. Als je je omdraait, dan maken ze het veelbetekenende gebaar met duim en wijsvinger. Ze doen dat overigens alleen als er verder niemand in de buurt is. Het is een stille strijd met de buitenlandse bezoeker om de inhoud van diens beurs. Die strijd wordt gevoerd met alle middelen (behalve geweld), lompe én inventieve. Het is vermoeiend én hilarisch. Vlakbij de tempel van Karnak is een theehuis. Ik vraag er naar de prijs: vier pond, een dollar, voor een kop thee. Dat is schrikbarend veel maar het is tegenover de tempel, dus een A-locatie, en ik wil thee. Na het bezoek aan de tempel drink ik er weer thee. Bij het afrekenen zegt de jongen “vijf pond”. Dat neem ik niet: “Het was daarnet vier pond en nu ook!” Ik geef hem een biljet van vijf pond en verwacht een pond terug. De jongen gaat met het biljet het theehuis uit, zogezegd om te wisselen. Maar ik heb hem in de smiezen: hij verbergt zich gewoon om de hoek van het theehuis totdat ik het wachten beu zal zijn. Ik ga ook de hoek om, vind hem daar inderdaad en jaag hem naar binnen. Ik krijg onmiddellijk mijn pond. Nog zo’n anekdote over thee op een terras. De ober vraagt of ik thee met melk wil (dat is iets duurder). Ik zeg dat ik thee zonder melk wil en krijg… thee met melk. Als ik zeg dat ik dat niet wil, niet lust en ook niet zal betalen, vindt de ober dat ik dan maar de prijs van thee zonder melk moet betalen. Alles moet uitgeprobeerd worden; dat is Egypte. Niemand luistert hier ook. “Do you want in my felucca?” “No, I want to the museum.” “I bring you with my felucca to Banana Island.” “No, I want to the museum.” “It costs only thirty pound.” “No, I want to the museum.” “Why don’t you want in my felucca?” Ik moet bekennen: ik luister ook niet meer. En zo zijn er twee partijen die tegen elkaar roepen maar niet naar elkaar luisteren. Het is een strijd.

Dit bericht werd geplaatst in 2001: Midden Oosten, Midden Oosten en getagged met , , , , , . Maak dit favoriet permalink.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s