De Sahara

Ik heb vijftienhonderd kilometer Sahara onder de wielen en achter de kiezen. De Sahara – In het Arabisch: Sahra; de ’h’ moet je uitspreken als een zachte ’g’ – ziet er hetzelfde uit als de woestijn in Syrië en Jordanië. Een vlakte met daarop een kiezellaag; zo’n woestijn heet een ‘serir’. Zandduinen, zoals wij de Sahara van foto’s kennen, komen maar op geïsoleerde plaatsen voor. Het schijnt dat de Libische woestijn, meer naar het westen, een zandwoestijn is.

Ik was Caïro zó zat! Ik wilde weg, het liefst naar de woestijn. In de Sahara ten westen van het Nijldal liggen vier grote oasen: Bahariya, Farafra, Dakhla en El Kharga. Die oasen zijn verbonden door een weg die van Caïro in het noorden tot Asyut in het zuiden loopt; het is een grote lus. De afstand tot de eerste oase, Bahariya, is gelijk ook de grootste: driehonderdzestig kilometer. Dat is net binnen de actieradius van mijn motor, de reservebrandstof meegerekend, bij normaal verbruik. Ik vind dat riskant want het verbruik is erg afhankelijk van de wind, de kwaliteit van de benzine en de conditie van de motor. In de Sinaï deed ik minder dan driehonderd kilometer met een volle tank, als gevolg van slechte benzine en een verstopt luchtfilter. De luchtfilter heb ik vervangen en ik ben gerustgesteld door iemand die vertelt dat halverwege Caïro en Bahariya een resthouse met een tankstation ligt. Ik vertrok op vrijdag; dan is het rustig op de weg omdat dan alle moslims hun ruggen krommen in de moskee. Caïro breidt zich als een schimmel uit in de woestijn maar na zo’n vijftig kilometer heb je het toch wel gehad. En dan: links serir en rechts serir, met dit verschil dat er links nog een spoorlijn loopt. Het was niet al te warm, het waaide een beetje; het was lekker motorweer. Na honderdnegentig kilometer serir kwam het resthouse in zicht. Het tankstation had geen tissa’een (super, octaan 95) en ook geen tamaneen (normaal, octaan 85), wel zola (diesel) maar daar loopt mijn motor niet op. Teruggaan of doorrijden is lood om oud ijzer, het resthouse ligt precies halverwege, en dus besloot ik om door te rijden naar Bahariya. Zestig kilometer verderop is het gedaan met de vlakte; er ligt een breed dal, denkelijk een fossiel Nijldal, met daarin nog resten van het plateau. Ik realiseerde me daar wat ik toch mis aan de serir: ruimte. De serir is tweedimensionaal, plat; geen ruimte. Ik genoot van het nieuwe uitzicht maar hield vooral de kilometerteller in het oog. Als ik driehonderdtwintig kilometer kan rijden op de gewone benzinevoorraad dan is er een kans dat ik Bahariya haal op de reservevoorraad. Doe ik minder met de gewone voorraad dan hang ik. Ik bedoel: ik zal niet omkomen maar het is wel lastig. Er komen niet veel auto’s langs en liften kan dus lang duren. Tweehonderdtachtig, negentig, driehonderd, driehonderdtien, vijftien… driehonderdtwintig kilometer, oef! De gewone benzinevoorraad is nog niet op. Driehonderdvijfentwintig, driehonderddertig kilometer: ik zit gebeiteld! En nog: driehonderdvijfendertig, veertig, vijftig kilometer, ik bereikte de rand van de oase en pas dan is het afgelopen. Uiteindelijk haalde ik driehonderdnegentig kilometer met zestien en een halve liter benzine. Dat is 1 op 23,6 en dat is een prestatie waarvoor de motor wel een kusje verdient. Op deze rit hebben de motor en ik nog twee mijlpalen bereikt: de motor is de vijfentwintigduizend kilometer gepasseerd en daarmee volwassen verklaard en bij de stand van 25.089 kilometer waren wij samen twintigduizend kilometer op stap.

De Sahara langs de weg naar Bahariya

De Sahara, tussen Caïro en Bahariya, voorbij het resthouse.

In Bahariya heb ik de motor gekieteld: accu bijgevuld (dat was hoognodig), ketting gesmeerd en kettingspanning gecontroleerd, olie en koelvloeistof gepeild, kabels nagekeken (de koppelingskabel heeft wat speling en die heb ik bijgesteld), boutjes en moertjes aangedraaid (er ontbreekt een bout in de ophanging van de uitlaat; dat is niet erg maar ik heb toch een nieuwe geplaatst). Daarom vertrok ik pas tegen de middag naar Farafra, honderdtachtig kilometer. Allemachtig, wat is het heet! En weer links serir, rechts serir. Ongeveer halverwege begint de ’white desert’, hier dagzoomt spierwit kalkgesteente, en al dat licht is zo fijn aan de ogen. Tegen vijf uur kwam ik aan in Farafra – honderdtachtig kilometer valt toch tegen – en onmiddellijk anderhalve liter water gedronken.

Dakhla ligt driehonderd kilometer verderop en daar ben ik vroeg voor opgestaan. Dat wil zeggen: om negen uur vertrokken. De lucht is dan nog helder en koel en het licht nog niet zo fel. Dat is prettig motorrijden. Tot elf uur. Daarna gaat het hard, heel hard; het wordt verzengend heet en het licht zo fel dat het pijn aan de ogen doet, zelfs met getint vizier en zonnebril. Gekmakend licht. Alleen op het donkere wegdek vinden mijn ogen rust. En weer links serir en rechts serir. Na honderdvijftig kilometer is het eindelijk zover: de zandwoestijn, aan de rechterkant. Zo ver als ik kan kijken: zandduinen. Ik heb wat zorg want in Farafra was alleen tamaneen benzine te krijgen en dat is niet zo goed voor de motor. Pas in de buurt van Dakhla krijgt hij er duidelijk last van; hij wordt erg heet en gaat lawaai maken. Hij protesteert en daarom krijgt hij van mij een flinke scheut octaanbooster.

De Sahara.

Het wordt verzengend heet en het licht zo fel dat het pijn aan de ogen doet.

Van Dakhla naar El Kharga is maar honderdnegentig kilometer en een peulenschil waarover weinig te melden valt behalve de volmaakte paraboolduinen in de buurt van El Kharga. Van El Kharga naar Asyut is tweehonderddertig kilometer. De weg verlaat het fossiele Nijldal en klimt naar boven naar het plateau. Dat is een rotswoestijn, hier en daar wat zand en hier en daar wat kiezel. Wat tegenvalt is de wind. Het waait hard, ik moet tegen de wind leunen en er is ook veel stuifzand. Er ligt zand op de weg en zelfs kleine duinen (er zijn zandruimploegen in de Sahara, zoals bij ons sneeuwruimploegen). Ik wil een foto maken van de rotswoestijn. Ik zet de motor op zijn pootje maar niet helemaal stabiel. De wind duwt hem om; ik zie het gebeuren maar ben te laat om nog wat te doen en daar ligt’ie. Dan moet er snel gehandeld worden anders gaat de benzine, de olie, de accuvloeistof en het koelwater lopen. Het lukt me om geheel op eigen kracht – want er is in de verste verte geen mens te zien – de motor weer overeind te zetten zonder eerst alle bagage er af te halen. Ik ben wel sterker geworden!

Van alle oasen is Dakhla veruit de leukste. Bahariya en Farafra zijn nogal stoffig en El Kharga is een “hommage to concrete”, zoals de Lonely Planet dat noemt. De oase van Dakhla bestaat uit het stadje Mut en het dorp El Quasr. Behalve de gebruikelijke plantages met olijfbomen en dadelpalmen zijn er ook rijstvelden. Er is blijkbaar water genoeg. In de rijstvelden lopen witte ibissen. Mut en El Quasr zijn welvarende boerenplaatsen. Vooral Mut ziet er, voor Egyptische begrippen, schoon en goed onderhouden uit. Er zijn koud- en warmwaterbronnen waarvan er een door de overheid als bad wordt geëxploiteerd. El Quasr heeft een middeleeuwse wijk met huizen en muren van leemstenen. De wijk is op last van de overheid door de bewoners verlaten en tot openluchtmuseum verklaard. Ten westen van El Quasr liggen Romeinse tombes met mummies erin en die kun je gewoon zien en, als je wil, aanraken. De oase van Dakhla wordt bedreigd door het zand. Tussen Mut en El Quasr zijn velden en plantages overstoven. Dadelpalmen en telefoonpalen staan tot aan de nek in het zand. De zonsondergang in de duinen is prachtig maar het betekent wel in het donker op de motor terug en dan moet je voorzichtig zijn. Er is een hele processie op de weg van fietsers, ezels, ezelkarren en allemaal zonder verlichting of reflectoren. Behalve pick-ups zijn er nauwelijks auto’s. Ik ben twee dagen in Mut gebleven en heb goed gegeten bij Abu Mohamed. Hij maakte voor mij tomatensoep en spaghetti met tomatensaus, “van verse tomaten”. Hij bracht mij de tomatensoep en zei “De spaghetti duurt wat langer want ik moet eerst bidden.” Terwijl ik mijn soep at, zag ik hem in de keuken, op zijn bidkleedje: knielen, opstaan, knielen. Hij kwam mijn bord halen. Ik: “U hoeft zich niet te haasten. Maak eerst uw gebeden af.” Hij: “Allah is er altijd maar u bent hier maar een paar dagen.” Abu Mohamed heeft ook bier en vers limoensap en zijn sap is het lekkerste dat ik ooit heb geproefd. Ik heb hem geholpen met het maken van een Engelstalige menukaart. Ik heb hem er niet van kunnen weerhouden op de flap van de kaart te zetten ‘the cleanest place in town’ maar, samen met zijn zoon, heb ik hem er wel van overtuigd dat ‘free tea’ niet handig is. Het is te hopen dat de toeristen komen want ik was zijn enige gast.

De oase van Dakhla wordt bedreigd door het zand.

De oase van Dakhla wordt bedreigd door het zand. Dadelpalmen en telefoonpalen staan tot aan de nek in het zand.

Ik heb nu redelijk wat woestijnervaring opgedaan. Ik vertrek niet zonder de motor te hebben geïnspecteerd en niet zonder volle benzinetank. De druk van de benzine in de tank gaat de vorming van dampbellen in het benzinefilter tegen. Ik rijd in spijkerbroek, T-shirt en spijkerjek; het motorjek en de leren motorbroek heb ik al lang geleden opgeborgen omdat het ondraaglijk is en het risico van oververhitting te groot. Ik draag wel de helm hoewel dat een kwelling is. Als ik de helm af zet, is hij drijfnat van binnen en het binnenwerk begint te vervilten. Ik heb overwogen in de helm gaten te boren en hem wit te verven maar daar heb ik, nog, van afgezien. Natuurlijk heb ik een getint vizier en draag ik een zonnebril en dan nog doet het felle licht pijn aan de ogen. Je moet bewust knipperen met je ogen om ze vochtig te houden. Uitdroging is een reëel risico en, eenmaal uitgedroogd, tijdrovend om te verhelpen. Voordat ik vertrek drink ik minstens vier grote koppen thee en als ik aankom anderhalve liter water. Ik drink net zo lang tot ik plassen moet en tot de plas lichtgeel is geworden. Onderweg drink ik zo min mogelijk omdat elke druppel een krachtig signaal is aan de zweetklieren, “aan het werk!”, en dat is erg onaangenaam, vooral onder de helm. Ik heb meestal een paar tomaten en een halve liter water bij me. Daarvan is weer de helft gereserveerd voor de motor om het benzinefilter te koelen mocht zich een dampbel vormen.

Er zijn in de Sahara om de vijftig kilometer rustplaatsen aangelegd; dat wil zeggen: een betonnen afdakje en verder niks, maar je kunt er even in de schaduw zitten, en er zijn hier en daar hulpposten van de Rode Halve Maan die beschikken over een ambulance. Verder is er niks, helemaal niks, alleen de eindeloze weg in het lege land. Hier ben je alleen met God en van Hem afhankelijk. Dat is een religieuze ervaring. In de naam van God, de Erbarmer, de Barmhartige: de kerntekst van de Koran. De islam is de godsdienst van de woestijn. Zonder God, de Erbarmer, de Barmhartige ben je hier niets! De menselijke aanwezigheid in de woestijn is te armzalig om betekenis te hebben. Er is heel weinig verkeer op de weg tussen de oasen; hooguit vier of vijf auto’s op tweehonderd kilometer. De passage is altijd warm: knipperen met de lichten en zwaaien. Je hebt elkaar nodig als er wat gebeurt en dus ben je vrienden. Maar het zijn voorbijgaande notendopjes in een zee van leegte. Voor als er wat gebeurt is er ook de politie. Bij de in- en uitgang van elke oase is een politiepost waar nationaliteit en kenteken worden genoteerd. Als je vermist wordt – dus áls iemand je mist – kunnen ze in de boeken nagaan tussen welke oasen je verdwenen bent. Dat is een schrale troost want tegen de tijd dat iemand je mist ben je allang gemummificeerd. Je moet niet denken dat ze aan elkaar doorgeven dat je langs gekomen bent. Het gaat niet zo van “Is bij jou die Hollander op die rode BMW met kenteken Sinaï 43 al voorbij gekomen?” Nee, zo gaat dat niet. Ze zijn wel heel precies. In Farafra wilde ik met een Italiaan sterren gaan kijken buiten de oase. Hoewel we zeiden maar voor een uur en niet verder dan twee kilometer te gaan, geen pardon: in het grote boek.

Rustplaats in de Sahara.

In de Sahara zijn om de vijftig kilometer rustplaatsen aangelegd; dat wil zeggen: een betonnen afdakje en verder niks.

De aankomst in Asyut was een belevenis. Ongeveer dertig kilometer voor Asyut is een politiepost. Ik stopte er voor de gebruikelijke administratie maar ongebruikelijk was dat ik moest wachten. Er kwamen twee politieauto’s met in totaal acht agenten van wie een met drie sterren. De driesterrenman wilde het naadje van de kous weten: “Waar gaat u naar toe? (naar Asyut), waar zult u verblijven? (bij de YMCA), hoe lang blijft u daar? (deze nacht), hoe laat zult u morgen uit Asyut vertrekken? (om negen uur), waar naar toe? (Luxor)”. Ze zullen me begeleiden en daar ga ik de laatste dertig kilometer met een politieauto voor me en een achter me. Het gaat hard met dat escorte, alsof de duivel ze op de hielen zit. Invoegend verkeer wordt tegengehouden en politieposten worden met een armzwaai gepasseerd alsof de president voorbij komt. Asyut in, straat in straat uit, en ze leveren me keurig af op het YMCA terrein. Ik krijg een vriendelijke handdruk van de driesterrenman en het verzoek om bij voorkeur het terrein niet te verlaten en als ik dat niet kan laten dan vooral even de politie te bellen voor de begeleiding en als ik weg ga moet ik ook bellen want dan zorgen ze weer voor een escorte naar de stadsgrens. Natuurlijk ben ik gewoon van het terrein gegaan zonder de politie te bellen en er gebeurt helemaal niks. Het is de obsessie van de autoriteiten met veiligheid. In Asyut staan overal een soort duiventillen van beton met een soldaat of agent er in die de straat in de gaten houdt. De wapens zijn hier geolied, de agenten hebben kogelwerende vesten aan en er rijden pantserwagens rond. In het verleden zijn hier wat vervelende zaken gebeurd maar nu is het rustig en al dat gedoe hoort bij het toneelstuk. Ik ben hier een dag gebleven (tegen de afspraak), ben rustig over straat gegaan (tegen de afspraak) en groet elke agent vriendelijk en niemand die zich ter bescherming op mij werpt, godzijdank.

 

Dit bericht werd geplaatst in 2001: Midden Oosten, Midden Oosten en getagged met , , , , , , , , , , . Maak dit favoriet permalink.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s