Toeten

De rit van Sharm el Sheikh naar Suez was niet gemakkelijk: een dikke vierhonderd kilometer en heet en saai. Tot El Tor gaat de weg over een brede kustvlakte. Een zwart lint over een witte vlakte, links in de verte een lasvlamblauwe zee en rechts de trillende contouren van het Sinaïgebergte. Er staat een harde en hete wind en grote trucks veroorzaken enorme wervelingen die stof en zand in mijn ogen jagen. Tot El Tor meer dan honderd kilometer hel waaraan ik me niet kan onttrekken door te dagdromen: tegenliggers gaan uit van een stilzwijgende afspraak dat dit een driebaansweg is. Na El Tor gaat de weg het binnenland in; het landschap wordt iets, maar niet veel, vriendelijker en de wind neemt een beetje af. Niet de hel maar het vagevuur. Vanaf Ras Sharatib volgt de weg weer de zee. Boven de Golf van Suez hangt grijze nevel van de olie-industrie en het stinkt er ook naar olie. Verder in de richting van Suez liggen grote touristresorts aan zee met lange oprijlanen. Misschien een prachtig strand maar een troosteloze omgeving zonder vluchtopties. Sharm el Sheikh is tenminste nog een stadje met een soek, winkels en restaurants. Hier is niets, het moet er verschrikkelijk zijn. Troosteloos, heet en saai, tot Suez. De controleposten van de politie zijn de enige afwisseling. Er is er een bij Sharm, waarschijnlijk vanwege het natuurgebied van Ras Mohammed waarvoor je een visum moet hebben in plaats van een Sinaïpermit. Er is er ook een bij El Tor, om God mag weten welke reden, bij de afslag naar het Sint-Katherinaklooster (er is er ook nog een bij het klooster), bij de olievelden van Abu Rudeis, een bij de Ahmed Hamdi tunnel onder het Suezkanaal en mogelijk ben ik er nog een of twee vergeten. Meestal zijn de heren wel vriendelijk, soms kortaf en altijd paspoortcontrole door een niet-geüniformeerde figuur.

Suez is mijn eerste echte Egyptische stad (de Sinaï is Egypte niet). Het is er rommelig, groezelig, stoffig en het stinkt er hier en daar, méér dan in Jordaanse of Syrische steden maar niet ánders. Het is een gewone Arabische stad. In de hoofdstraat hangt feestverlichting en er zijn veel mensen. Overal staan televisietoestellen buiten met groepen mensen er om heen. Er is een belangrijke voetbalwedstrijd, een Egyptische club tegen Inter Milaan. Egypte wint met 1-0. Ik ben de enige buitenlander en niemand spreekt Engels. Ik word niet aangesproken maar ook niet genegeerd. Mijn Egyptische nachtmerries van oplichters en begerige lomperiken worden geen werkelijkheid. Ik kocht bij een stalletje een broodje en betaalde dezelfde prijs als de Egyptische klanten – ik heb eerst toegekeken wat er verkocht werd en hoeveel betaald werd – maar kreeg wel een extra servetje. Er zijn veel sap- en ijswinkels. Ik heb suikerrietsap gedronken en dat smaakt zoals oud gras ruikt en heeft een lafzoete nasmaak. De mango’s zijn rijp en overal verkrijgbaar voor bijna niets. Mangosap heeft een enigszins chemische voorsmaak maar de nasmaak is wel lekker fruitig. Mangoijs en limoenijs zijn heel lekker. Rondom de sap- en ijswinkels is het druk met jongeren, jongens en meisjes door elkaar en een aanzienlijk deel van de meisjes draagt geen hoofddoek. Ik heb in een zijstraat twee kerken gezien dus misschien is een deel van de bevolking koptisch. Langs de verbindingsweg naar het naburige Port Tawfiq ligt een soort parkboulevard waar, in de donkere hoekjes, stelletjes zitten. Ze kijken een beetje betrapt als ik voorbij kom maar iets onislamitisch of onkoptisch heb ik niet gezien. Suez, mijn eerste echte Egyptische stad, is een geruststellend gewone stad.

De tweehonderd kilometer van Suez naar Port Said zijn heet en vochtig. Van een afstandje kan ik de schepen in het Suezkanaal, grote containerschepen en gastankers, voorbij zien schuiven maar echt uitzicht op het kanaal is er niet. Er loopt geen weg vlak langs en het kanaal is overigens militair gebied. In de namiddag kom ik in Port Said aan en vind een hotel, na veel gedoe: iedereen prijst een ander hotel aan, wil de weg wijzen maar spreekt geen Engels en het toeristenbureau is gesloten.

’s Avonds ging ik op zoek naar een restaurant; het liefst wil ik vis eten. Ik viel in de handen van een toet; mijn verbastering van het Engelse woord ‘tout’ dat ‘klantenlokker’ betekent. Ik had het wel in de gaten: “From where?”, “Can I help you?” Als iemand zo begint moet je voorzichtig zijn. De toet weet wel een visrestaurant. Ik had het verwacht: hij brengt me naar het restaurant van een vriend. Dat is niet erg, maar de menukaarten worden snel van tafel gehaald en er komt een andere uit een lade en, nog erger, ook de toet gaat zitten. Daar heb ik geen zin in, zo’n knakker naast me terwijl ik eet. Ik verzin een uitvlucht en zeg dat ik even sigaretten ga halen. Ja hoor, Magneetstripje staat ook op: hij zal me wel even naar een sigarettenwinkel brengen. De verkoper kan niet teruggeven van twintig pond. Dat is geen probleem: de toet zal wel wisselen en de sigaretten betalen. Hij telt het wisselgeld uit in mijn hand: negen biljetten van een pond, dat is elf pond voor een pakje sigaretten! Ik zeg: “Nee, sigaretten kosten hooguit vijf pond” en na veel vijven en zessen krijg ik uiteindelijk vijftien pond terug. Het is een domme toet: hij probeert me te tillen voordat hij me klem heeft gezet en ik heb een excuus om van hem af te komen. Hij wil nog een ’present’. Ik wil hem een pond geven maar hij wil er twee en dan krijgt hij helemaal niks. Ik ben van de toet af maar nu moet ik op eigen gelegenheid de weg terug zien te vinden. Dat lukt met enige moeite en ik heb uiteindelijk lekker lamskarbonaden gegeten bij Popey, bijna om de hoek van het hotel.

Al eerder heb ik verhalen gehoord over echte professionele toeten, verteld met een mengeling van bewondering en afgrijzen door een echtpaar dat Luxor had bezocht. De toet brengt ze naar een restaurant dat wel goed is, maar net iets te duur. De toet haalt wel even sigaretten en telt het wisselgeld zo pijnlijk nauwkeurig in de hand uit dat het echtpaar wel moet zeggen “Laat het wisselgeld maar zitten.” De toet weet ook ‘bijzondere’ plekjes, waar toeristen gewoonlijk niet komen: een lege graftombe waar, uiteraard, een vriendje zit die entree heft. “U vindt het niet zo bijzonder? Maar dit is de graftombe van ambtenaar x. U vindt hem niet in de geschiedenisboeken maar hij is heel belangrijk geweest. Zie u die scheur daar? Er zit zeker nog een kamer achter. Misschien wel vol goud.” “U wilt een dagje alleen zijn? Ik breng u wel naar het zwembad.” Maar rustig zit het echtpaar daar niet want de toet zit op vijftig meter afstand, zwaait vriendelijk en houdt vooral zijn prooi in de gaten. Het echtpaar weet niet hoe ze van hem af moeten komen; ze worden wel vaak getild maar iedere keer een klein beetje en de toet is buitengewoon beleefd. De toet laat zich niet afschudden. ’s Morgens heel vroeg op pad, maar de toet staat al voor het hotel. ’s Morgens heel laat op pad, maar de toet wacht voor het hotel. Er is geen ontkomen aan. Uiteindelijk besluit het echtpaar af te reizen, geen week in Luxor maar vier dagen, en ja hoor: ’s morgens staat de toet er weer om afscheid te nemen en een geschenk in ontvangst te nemen. Verbijsterend knap, zo’n toet. Ik ben er gemakkelijk van af gekomen!

Dit bericht werd geplaatst in 2001: Midden Oosten, Midden Oosten en getagged met , , , , , , , , . Maak dit favoriet permalink.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s