Captain Haber

Ik verliet om half een ’s middags het hotel en reed naar de terminal om de veerboot te nemen naar Nuweiba in Egypte. Ik was gespannen door de negatieve verhalen van andere reizigers (“Ze plukken je daar”, “Ze zijn opdringerig op het agressieve af”) en door de beschrijving van de grensbureaucratie door Adriaan van Nijendaal wiens verhaal ik van het internet heb geplukt. Het moest een hel zijn maar ik was voorbereid; ik zal me niet als een schaap laten slachten! Eerst naar de Jordaanse douane en politie. Bij de douane ging het al mis: de ambtenaren bogen zich over een document in het Arabisch dat ik had gekregen toen ik Jordanië binnenkwam. Ik bleek een tijdelijke vergunning van een week voor mijn motor te hebben en was een maand gebleven: of ik maar even twintig dinar (dertig dollar) wilde bijbetalen. Het begint dus hier al en naar voorbeeld van bovengenoemde Adriaan nam ik een houding aan van ‘dat pik ik niet!’. Dat Arabische papier kan ik niet lezen en ik heb al betaald toen ik Jordanië binnenkwam. Maar zonder bijbetaling geen stempel in het Carnet de Passage, zonder dat stempel geen uitreisvisum en zonder uitreisvisum kan ik de veerboot alleen maar uitzwaaien. Hoewel ik al begreep dat het tot weinig zou leiden, heb ik toch enorme stennis gemaakt. Een van de ambtenaren vond dat heel vermakelijk, zat achter zijn bureau te proesten, maar zijn collega had wat meer hart en probeerde me te kalmeren met verontschuldigingen: “It is the law” en “I am under the law”. Als pleister op de wond heeft hij me begeleid door het verdere administratieve traject: naar de politie voor het uitreisstempel (vijf dinar), naar de veerbootmaatschappij voor een ticket voor de motor (twintig dollar) en naar de bank om extra dinars op te halen. De reis naar Egypte begon dus al kostbaar.

Op de boot trof ik een behulpzaam bemanningslid, de purser: “Give me your passport and ticket and I make everything ready for you”. Na een tijdje, uit de luidspreker: “Holland nationality, to the office please”. Hij had alles in orde gemaakt: een inreisstempel in mijn paspoort en een roze papier dat in het Arabisch verklaarde dat de maatschappij mijn motor had vervoerd. Dat papier kostte slechts tien Egyptische ponden (2,5 dollar). Volgens de purser zou het daarna allemaal een peulenschil zijn: “To the customs with your carnet and this document (het roze papier), then to traffic police and then you can go.” Bij het aanmeren, om zeven uur ’s avonds – de veerboot was een uur te laat – heeft hij het me nog eens op het hart gedrukt. Ik was een van de eersten die het schip verliet, uitgewuifd door de bemanning en nageroepen: “Customs, to the left!” Het moest een peulenschil zijn.

Het douaneterrein is inderdaad links; een man in een T-shirt maakt me duidelijk dat ik aan het eind van het terrein moet parkeren en daar wachten op Captain Haber. Er komen steeds meer bussen en auto’s het terrein op, grote four-wheel drives en Mercedessen van Koeweiti’s en Saoedi’s, en iedereen begint alles uit te laden en uit te pakken. Hele families zitten te midden van een circus van tassen, koffers, dozen, pakken en die moeten ook open. Ik word er een beetje zenuwachtig van: moet ik dat ook? “Nee”, gebaart de man in het T-shirt, “wacht op Captain Haber.” Na een half uurtje komt Captain Haber. Hij is van de toeristenpolitie, gekleed in een sjofel hemd en broek en hij ziet er wat sluw uit. Met Captain Haber krijg ik een uitzonderlijke voorkeursbehandeling die de Egyptenaren, Saoedi’s en Koeweiti’s moeten ontberen. Captain Haber geeft me een hand en legt uit dat hij alles voor me gaat regelen. Hoe lang ik denk te blijven? Een maand? Drie maanden – de geldigheidstermijn van mijn visum – is maar tien dollar duurder. Ik zeg onmiddellijk “drie maanden”, voor de zekerheid. Captain Haber gaat aan de slag: “Give me your carnet, passport and motordocuments. I will make copies”. Captain Haber is weg. Er meldt zich een man in burger die wil weten wat ik allemaal vervoer. “Open maken!” Ik ben bang dat ik, als de anderen, alles moet uitpakken maar dat blijkt niet nodig: een blik in de koffers, wat voelen en toelichting mijnerzijds is voldoende. Dan melden zich twee heren in douane-uniform. Hoe ik heet? Ik zeg “Heijnens”; ze proberen het na te zeggen en moeten vreselijk lachen. Na drie keer zeg ik dat ze het goed uitspreken en wordt mijn naam fonetisch op een papiertje vastgelegd. Dan: “Father’s name?”. Ik zeg verbaasd: “Heijnens, too!” en vanaf dat moment is mijn vader in de douane-administratie vastgelegd als ‘Too’. Vervolgens weer twee heren, voor de verandering in burger, die een afdruk van het chassisnummer komen maken. Dan moet toch de tas er af want het chassisnummer zit onder het zadel. Captain Haber komt terug met twee dossiermappen met daarin kopieën van al mijn documenten. Ik moet met hem mee naar de chef van de douane en naar de kassier; 265 pond belasting, Egyptische ponden. Ik doe alles wat hij zegt en loop als een zombie achter hem aan. Kantoor in, kantoor uit. Bij de chef blijkt dat het eigendomspapier van de motor niet is gekopieerd, dus naar de repro, dan de kassier, dan een onduidelijk kamertje, dan weer de chef. Of ik wellicht een kopie van het kasreçu wil want het reçu gaat in het dossier. Nee, dank je wel, ik heb geen behoefte aan een kopie want het reprohok is aan de andere kant van het terrein.

Terug naar de motor want er moet nog een inspectie worden gedaan op drugs en wapens. Ik word voorgesteld aan de dienstdoende chef van de politie die me lang en achterdochtig aankijkt. Captain Haber legt uit: “Hij kent u ergens van.” Ik voel dat dit precair is en zeg gauw dat ik werk voor de Nederlandse politie. Dat klinkt vertrouwd maar is een leugen. Wat ik dan doe? “De informatie, de computers” zeg ik en dat stemt tot tevredenheid. “No drugs, no guns?” vraagt de chef. Ik verklaar met de hand op mijn hart dat ik zoiets niet bij me heb. De inspectie kan achterwege blijven.

Captain Haber gaat aan de volgende ronde beginnen, de traffic police, en moet 180 pond hebben voor de verzekering en de nummerplaten. Ik betaal onmiddellijk. Terwijl captain Haber op pad is bekijk ik de inspectie van de andere slachtoffers, samen met een Egyptische jongen die humoristisch commentaar levert op de douaneactiviteiten: “Look, now they attack the car!” En een aanval is het ook: stoelen uit de auto, bekleding losgemaakt, wieldoppen verwijderd, de reserveband uit de kofferbak en met zaklantaarns wordt de onderzijde van de auto geïnspecteerd. Captain Haber komt na een half uurtje weer terug, voorzien van mijn carnet, paspoort, nummerplaten, verzekeringspapier en een tijdelijk Egyptisch rijbewijs (niemand heeft naar mijn rijbewijs gevraagd). Ik probeer even de nummerplaten uit. De Egyptische jongen helpt me want ik houd ze ondersteboven. ’Sinaï 43’. Captain Haber vouwt alle papieren zorgzaam tot een bundel, geeft dat aan mij en zegt me naar de poort van het douaneterrein te gaan en alles aan de dienstdoende beambte te laten zien. Bij de poort zitten vier heren in burger, op tuinstoelen. Ik moet stoppen en alle papieren worden nagekeken. Captain Haber komt nog even poolshoogte nemen maar alles is in orde en ik mag vertrekken, met de beste reiswensen van captain Haber.

Het is kwart over tien, ik ben 445 pond lichter (110 dollar) maar voorzien van nieuwe nummerplaten, tijdelijk rijbewijs (in het Arabisch), verzekeringspapieren, stempels. Met de complimenten van captain Haber.

Dit bericht werd geplaatst in 2001: Midden Oosten, Midden Oosten en getagged met , , . Maak dit favoriet permalink.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s