Berichten uit de samenleving

Akaba. Het is 43 graden, in de schaduw, bij een luchtvochtigheid van zeker 90%. In de middag zie je hier overal slapende mensen, in de parken en op de trottoirs, overal waar schaduw is. Vandaag vond ik in mijn hotelkamer een van de schoonmakers slapend dwars over mijn bed. Hij was in slaap gevallen tijdens zijn werk. Ik heb hem gewekt en hij is opgestaan om elders een slaapplaats te zoeken.

Aangezien het hier zo heet is, heb ik mijn heil onder water gezocht. De vochtigheid is daar weliswaar nog groter maar de temperatuur is er lager (28 graden). Ik heb een PADI Open Water Dive Course gevolgd. Dat was wel even werken. Ik moest er een theorieboek van zo’n tweehonderd pagina’s voor doornemen, oefeningen doen en zes duiken maken. Oefeningen: onder water de gewichtengordel af en weer omdoen, de duikuitrusting af en weer omdoen, de regulator (het ding waardoor je ademt) van me afwerpen en weer terugvinden, een noodopstijging maken. Chamzi, Abdullah en Mohammed waren goede en geduldige instructeurs. Vooral Abdullah; hij is niet alleen groot en knap maar hij motiveert ook. Na elke min of meer geslaagde verrichting: “Excellent, excellent”. Het heeft gewerkt: ik heb mijn duikcertificaat gehaald.

Na het duiken breng ik mijn tijd door op het strand om me geestelijk voor te bereiden op Egypte. Ik heb er horrorstories over gehoord. Het gedrag van de bevolking van Wadi Musa bij Petra zou nog heilig zijn vergeleken bij wat me in Egypte te wachten staat. Ik heb er visioenen van gekregen: grote lomperiken met een gemeen lachje die begerig hun handen uitstrekken naar de koffers op mijn motor en naar mijn achterzak. Ik moet me niet alleen geestelijk voorbereiden maar ook materieel. Voor een visum was ik al eens bij de Egyptische ambassade in Amman gaan kijken. Daar stond een lange rij, in bedwang gehouden door barse bewakers, de prijs was dertig dinar en de verwerking duurde twee dagen. Het consulaat in Akaba is een verademing; vriendelijke mensen en eenvoudige administratie: papiertje invullen, pasfoto inleveren, vijftien dinar betalen en na een uurtje kan ik mijn paspoort met visum weer ophalen. Ik heb ook al een ticket gekocht voor de veerboot naar Nuweiba. Ik vertrek over twee dagen.

Ik zeg een deel van het Midden-Oosten gedag en dat is een moment om terug te kijken. Syrië, Libanon en Jordanië zijn me goed bevallen; Syrië nog het meest. In dat land is veel te zien en de mensen zijn er het aardigst. Er zijn in Syrië en Jordanië twee bevolkingsgroepen: Arabieren en Bedoeïenen. Bedoeïenen zijn de zigeuners van het Midden-Oosten. Bedoeïenen, de mannen, zijn vrijwel zonder uitzondering knap te noemen. Ze hebben meestal sluik haar en mooie scherpe ogen. Helaas heeft God ze om de een of andere reden gestraft: de vrouwen zijn allemaal abominabel lelijk. Althans, dat vind ik. Ik hoop dat de Bedoeïenen er anders over denken. De enkelen die ik er over heb gesproken willen een Arabische vrouw. Voor zover ik kan nagaan heeft dat niet zoveel met uiterlijk te maken maar met de sociale ladder: Bedoeïenen staan onder de Arabieren. De Arabieren zijn, gemiddeld genomen, lang niet zo knap als de Bedoeïenen. Ze kijken een beetje oenig uit de ogen, zoals de president van Syrië, of zijn te vlezig, zoals de koning van Jordanië, maar vaak een combinatie van beide.

Dit is een aanraakcultuur: handje schudden, handje vasthouden, zoenen. In Amman zag ik een agent een ruzie tussen twee mannen beslechten. Hij hield ze beide bij de hand vast, luisterde naar de een en dan naar de ander, streek ze door het haar; hij was blijkbaar aan het bemiddelen en vond een compromis. Dat is mooi om te zien. Ook mooi om te zien is het eindeloze getut met kinderen; er is veel geduld en kinderen mogen alles. Die zorg bestaat ook omgekeerd: ik zag jongemannen wandelen met hun moeder of oma. Het is meer dan een aanraakcultuur. Het is een heel fysieke cultuur; niet zoals bij ons waar de reële wereld verborgen en begraven is achter cijfertjes. Cijfertjes betekenen hier niks; het gaat hier om werken (werk vinden), eten, drinken, slapen en een beetje dollen.

Er is ook een keerzijde aan die cultuur en wel op twee manieren (voor zover ik kan zien): gebrek aan onderling vertrouwen en de seksuele taboes. Het gebrek aan onderling vertrouwen is me opgevallen. De ezel-, paarden- en kamelenverhuurders in Petra beconcurreren elkaar heftig en de consequentie is dat niemand wat verdient. Er worden geen gezamenlijke afspraken gemaakt want je weet niet of de ander zich er aan zal houden. Zelfs binnen families: Ali in Wadi Rum zag er geen been in om zijn broer, waarmee ik een prijs voor een tocht per kameel had afgesproken, onder de duiven te schieten. Zo gaat het overal: ”I have a special price for you”, “Don’t go with him, he is not good”. Het gebrek aan vertrouwen verhindert dat de samenleving zich verder ontwikkelt. In de oase van Palmyra in Syrië sprak ik een boer. Van hem begreep ik dat de overheid de waterverdeling regelt en er geen lokale organisatie is. Mijn eerste gedachte was: de overheid staat geen zelforganisatie toe. Maar nu ik hier wat langer heb rondgekeken, heb ik de gedachte: zou er wel iets georganiseerd zijn als de overheid het niet gedaan had? De mensen vertrouwen elkaar niet, de mensen vertrouwen de overheid niet en de overheid de mensen niet. De regimes in Syrië en Jordanië komen niet uit de lucht vallen!

Seks is hier een obsessie – naast mij in het internetcafé zit een jongen pornofilmpjes te bekijken – en tegelijkertijd een taboe. Waartoe die combinatie leidt merk ik aan den lijve en lees ik in de kranten. Eerst de kranten. Een willekeurige daguitgave van de Jordan Times geeft de volgende berichten. Een jongen van 17 wurgt zijn zus van 22 om de familie-eer te redden. De zus is getrouwd en haar echtgenoot werkt in Saoedi Arabië. De jongen ziet zijn zus op een dag uit het huis van een vriend komen. Hij sleurt haar mee naar de politie waar ze medisch onderzocht wordt op tekenen van seksueel contact. Het staat er echt; het is te bizar voor woorden! Godlof wordt er niets gevonden maar dat is voor de jongen niet genoeg. De eer is niet voldoende zeker gesteld en twee dagen later wurgt hij haar. De Jordan Times merkt droogjes op dat dit de twaalfde eermoord is van dit jaar. Nog een bericht. In Egypte is een meisje van vierhoog uit een flat gesprongen. De achtergrond: ze was in de flat van haar vriend, de buren hadden dat in de gaten en begonnen op de deur te bonzen en te roepen dat ze naar buiten moest komen, het meisje raakt in paniek en springt van het balkon. Fijne buren! En nog een bericht. De Egyptische politie heeft vijftig mannen gearresteerd op beschuldiging van het houden van een seksfeestje op een boot op de Nijl. Dat is verdacht: hoe wist de politie dat en hadden die boys dan geen uitkijk? Nog verdachter: sommige van de gearresteerden claimen niet op de boot gearresteerd te zijn maar thuis en sommige van de gearresteerden zijn critici van het bewind. De suggestie van de Jordan Times is duidelijk: een opzetje van de geheime dienst om mensen in diskrediet te brengen. Dat is een willekeurige greep uit de krant.

Aan den lijve, de wijze waarop ik avances heb meegemaakt: het is soms komisch, soms zielig en soms lomp maar nooit uitnodigend. Komisch: op een terras in Aleppo raak ik met een jongen aan de praat. Hij stelt wat vragen over mijn achtergrond, beroep enzovoorts. Ik heb inmiddels geleerd om een vraag met een wedervraag te beantwoorden, dus ik vraag “What do you do?” “Fisherman!” Maar Aleppo ligt ver van de zee en honderd kilometer van het Assad stuwmeer en er is geen rivier, dus ik vraag: “Waar vis je dan?” “Oh, everywhere” is het vage antwoord. Ik begin iets in de gaten te krijgen en vraag wat voor soort vis hij eigenlijk vangt. Antwoord: “I don’t care but I like the handsome ones most.” Ter verificatie vraag ik of de vis duur betaald wordt. Antwoord: “Come with me and I will show you.” Een hoerenjongen, een grappig manneke, maar niks voor mij. Zielig, in Hama. Ik loop door het park en ik voel het: een man loopt afwisselend vlak achter me en vlak voor me. Hij draait om me heen. Op een gegeven moment blijf ik staan en hij begint een gesprekje. Waar ik vandaan kom, of ik getrouwd ben, etc. Na een paar minuten: of ik zin heb om met hem mee naar huis te gaan om te eten, te drinken en andere voorkomende zaken. De man is zo zenuwachtig dat ik bang ben dat hij elk moment in huilen kan uitbarsten. Dat is ook niks. Lomp, hier in Akaba. Ik loop van het duikcentrum naar het hotel en er komt een vent naast me lopen. De gebruikelijke vragen: waar kom je vandaan, ben je op vakantie, ben je getrouwd, etc. En dan plotseling: “Wil je seks met mij?”. Ik bekijk de man, dikke buik en kalend, zijn houding bevalt me niet. Dat is gewoon lomp. Zo gaat dat hier; als ik al lust zou hebben, dan wordt die zo wel de grond in geboord.

Ik vraag me af waarom ik eigenlijk dergelijke avances meemaak. Ik ben per slot van rekening niet meer in de uiterst gewilde leeftijd. Zouden ze elkaar ook zo bejegenen? Het antwoord lijkt me simpel: nee, waarschijnlijk niet. Dat zou veel te risicovol zijn. Het is veel veiliger een buitenlander te adresseren. Beklaagt die zich, dan kun je altijd zeggen dat hij je verkeerd begrepen heeft. Toen ik dat had bedacht, had ik wel meelij met ze. Dat sluit ergernis overigens niet uit. Als ik het geheel bij elkaar neem, de bejegeningen en de krantenartikelen, dan jeuken mijn handen. Die opwinding is zinloos en de doodstraf bestaat hier al. Een paar dagen geleden is een man opgehangen wegens moord. Hij had ruzie gekregen met zijn vrouw en die vertrok naar haar familie. Een delegatie van de stam heeft tweemaal geprobeerd om een compromis te vinden. Toen dat niet lukte zijn bij de man de stoppen doorgeslagen. Hij is bewapend met een machinegeweer naar het huis van de schoonfamilie getogen en heeft daar even zijn hart gelucht: twee doden, vier gewonden.

Er is veel relatieleed. Weliswaar zelden met de catastrofale gevolgen van hierboven maar toch: klein leed. Gisteravond, op een bankje aan de haven ploft een jongen naast me: kort hemdje, flodderige broek, slippers, beginnend baardje. Een exemplaar uit het enorme leger adolescenten van Jordanië. Hij stelt de gebruikelijke vragen maar komt al gauw ter zake: of het waar is dat in mijn land jongens en meisjes elkaar gewoon ontmoeten en ’het’ zelfs wel doen. Op het eerste deel van zijn vraag antwoord ik bevestigend maar over ’het’ houd ik een slag om de arm. Het kan hem niet deren, hij zucht verzaligd. Zo zou hij ook wel een meisje willen ontmoeten. De enige meisjes die hij te zien krijgt: zijn nichtjes en de dochters van de beste vrienden van zijn vader. Veel keus heeft hij dus niet en dat zou hij graag anders willen. Ik vraag hem of hij voor zijn zussen hetzelfde zou wensen. Hij kijkt me geschokt aan. Ik leg hem uit dat zijn wens, en de wens van velen van zijn leeftijdgenoten, meisjes ongedwongen te ontmoeten, alleen in vervulling kan gaan als die meisjes dat óók mogen. Hij begrijpt de logica van mijn redenering en de consequenties van zijn wens maar het is een brug te ver.

De familie is vluchtheuvel én gevangenis. Er is hier geen werkloosheids- of bijstands-uitkering, geen ziektekostenverzekering, geen pensioenvoorziening of nabestaanden-regeling. Iedereen, vrouw én man, is afhankelijk van de familie. Je moet wel bijna suïcidaal zijn om tegen de wensen en regels van de familie in te gaan. De goede naam moet beschermd worden want de goede naam is de creditkaart van de familie binnen het dorp of de stam. De dochter des huizes wordt gezien met een man? Ze kan wel een losbol zijn! En wie geeft nu geld of gunsten aan een familie die losbolligheid toestaat? Gaat over de zoon een gerucht? Ai ai! Wie buiten de pot piest krijgt op zijn donder of wordt uitgestoten of erger. De familie is een gevangenis en de gevangenen zijn elkaars cipiers. Niemand zal voordeel behalen zonder dat anderen meeprofiteren. Hij heeft een bedrijfje en het loopt goed, vertelt hij. “Waarom zit u dan hier op het terras?” “Ik verdien voldoende.” Hij ziet er tamelijk sjofel uit, niet het uiterlijk van een geslaagd zakenman. “Als u meer werkt verdient u meer!” Hij lacht: “Nee, alles wat ik meer verdien moet ik delen met mijn broers die geen werk hebben.” Vluchtheuvel, gevangenis en obstakel voor ontwikkeling; een sociale fuik.

Tenslotte moet ik nog een verhaal kwijt over leed en botheid. Op het strand van Akaba raakte ik aan de praat met een man uit Jarash, in het noorden van Jordanië. Hij is leraar Engels in een Palestijns vluchtelingenkamp. Zoals veel mensen in Jordanië is ook hij gevlucht uit Israël. In 1967 is hij uit Gaza naar Jordanië gekomen. Hij heeft het bepaald niet breed. Met zijn gezin een dagje naar zee is een hele uitgave. In Jarash is geen zwembad, wel in Amman maar dat is voor de rijken. In zijn huis heeft hij vier uur water per week. Per week!! Het drong eigenlijk niet goed tot me door. Ik wilde weg om een douche te nemen in het hotel en zat niet op een verhaal te wachten. Bovendien was ik bang dat het een bedelverhaal was, vooral toen hij vertelde hoe krap hij het had, en ik had al de botenverhuurders en de om sigaretten en geld bedelende bengels van me afgehouden. Pas ’s avonds drong het tot me door: terwijl hij vertelt over zijn watersituatie denk ik aan een douche. Ik was geschokt en beschaamd. Beschaamd omdat ik plichtmatig heb geluisterd, geen sigaretten heb aangeboden (hij wel) en geen ijsjes heb gekocht voor zijn kinderen. Hij wil dolgraag weg, zoals zovelen, desnoods naar Nederland maar het liefst naar de VS. Het zál lukken, inşhallah, zo God het wil.

Dit bericht werd geplaatst in 2001: Midden Oosten, Midden Oosten en getagged met , , , , , . Maak dit favoriet permalink.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s