Petra is niks

Ik nam de weg van Al Azraq naar Petra: driehonderdvijftig kilometer woestijn en die is hier veel doodser dan in Syrië. Tot Al Jaffar (tweehonderd kilometer) is er geen levende ziel te bekennen, buiten de enkele medeweggebruiker – meestal grote tankauto’s – en vliegen, zodra je stopt. Het is verbazend hoe snel die vliegen je kunnen vinden. Geen dorpen, geen tankstation, geen Bedoeïenen, geen vogels. Niks, alleen maar een vrijwel rechte weg en een vlakke zwarte woestijn. Zwart vanwege de door de zon gebrande stenen aan het oppervlak. En daarboven de blauwe lucht. Dan Al Jaffar, twee levende zielen langs de weg, en vervolgens tot Ma’an (zestig kilometer) weer niks. Ik hoefde alleen maar attent te zijn op windhozen. Als er geen zand of stof is om op te nemen, dan zie je ze niet. Maar je voelt ze wel; het is alsof een grote vrachtauto je rakelings passeert. Na Al Jaffar is er blijkbaar wel stof en zand om op te nemen en dan zie je overal windhozen als reuzenspoken. Bij Ma’an kwam zo’n hoos recht op me af. Ik ben gestopt om te kijken waar hij heen zou gaan, maar hij boog gelukkig af.

De Jordaanse woestijn is een grindwoestijn: plat met aan de oppervlakte een keienvloer.

De Jordaanse woestijn in de omgeving van Al Jaffar. Zo dood als een pier.

Petra, hoofdstad van de Nabateën, is een verzameling van in zandsteen uitgehouwen tempels en tombes. Het is geen driedimensionale maar tweedimensionale architectuur; het is gevelarchitectuur. Er is geen verhouding tussen de uitbundige gevels en de achterliggende ruimtes; de ruimtes zijn vrij klein en donker. En de gevels zelf: op het eerste gezicht indrukwekkend maar bij nadere beschouwing nogal protserig; een eigenaardige verzameling van Egyptische, Griekse en Romeinse stijlelementen. De eerste grote bezienswaardigheid is gelijk bij de entree: de Treasury, in roze zandsteen. Die gevel is nog decor geweest voor ‘Indiana Jones and the holy grale’. De andere topper ligt helemaal aan de andere kant: de Monastery en je moet er zo’n achthonderd treden voor op. Alles wat aan tombes en tempels ligt tussen Treasury en Monastery is aardig maar meer ook niet, eerder vulling. Petra is niet te vergelijken met Palmyra of Baalbek. Wie briljante elegante en gedurfde architectuur wil zien, gaat naar Palmyra. Aan de ruïnes is nog goed te zien wat een prachtige stad dat geweest moet zijn. Baalbek is imponerend vanwege de massa van de architectuur en, bij die massa, goed geproportioneerd.

De Treasury, aan het begin van Petra.

Petra, de ‘Treasury’ is nog decor geweest voor ‘Indiana Jones and the Holy Grale’.

Voor mij is het niet de architectuur van Petra die indruk maakt. Natuurlijk, dat alles is uitgehouwen – en dat moet een enorm karwei zijn geweest – is indrukwekkend maar dat neem ik na een tijdje voor kennisgeving aan. Wat Petra bijzonder maakt zit ín de steen: de kleuren. Het is een fijne zandsteen met banden in roze, geel, groen, wit en zwart; denkelijk ijzer- en mangaanneerslag. Die banden lopen niet recht maar golven en het gevolg is dat de wanden van de tempels en tombes, zowel aan de buitenkant als aan de binnenkant, prachtig getekend zijn, als een modern schilderij. Het is een fenomeen waar ik niet op uitgekeken raak. En de natuurlijke setting is indrukwekkend. Petra kom je binnen via de Siq, een nauwe kloof, soms niet meer dan drie meter breed en met tientallen meters hoge loodrechte wanden. De Siq slingert over meer dan een kilometer langzaam naar beneden en dan sta je plotseling voor de Treasury. Petra zelf ligt in een vallei omgeven door kale bergpieken, als een geheime stad. Het is de natuur, in kleur en vorm, die op mij indruk maakt, niet de Nabateense cultuur.

De Siq, een nauwe kloof die toegang geeft tot Petra.

De Siq, een nauwe kloof die toegang geeft tot Petra.

Valt de Nabateense cultuur een beetje tegen, hetzelfde kan gezegd worden van de hedendaagse cultuur. Wadi Musa is het plaatsje van waaruit je Petra bezoekt. Als er ergens sprake is van ‘keen on your money’, dan hier. Het begon al met het Candles Hotel. Het was mij aanbevolen door het Griekse stel dat ik in Wadi Rumm was tegengekomen: het hotel zou goed zijn, vlakbij de ingang van Petra en er is een gelegenheid om je motor te parkeren. Een eenpersoonskamer kost vijfentwintig dinar, zegt de manager. Maar van het Griekse stel had ik gehoord dat zij een tweepersoonskamer hadden voor twintig dinar. Ik heb deze keer geen zin in onderhandelen en gooi gelijk mijn eindbod op tafel: achttien dinar. Dat blijkt ook goed. De kamer was prima, het ontbijt uitstekend en de bediening beleefd maar gehaast alsof er nog honderd andere gasten waren die om aandacht vroegen. Ik was er de enige gast. De eerste avond ben ik gaan eten in een nabij gelegen restaurant, the Bedouin Tent. Volgens de kaart kost mijn maaltijd 6,5 dinar maar op de rekening staat zeven dinar. Uitleg wordt niet gegeven. Over een halve dinar ga ik niet discussiëren maar ik ben er niet meer terug geweest. In een winkel wordt een dinar gevraagd voor een pakje Winston sigaretten dat overal elders in Jordanië 0,75 dinar kost. Als ik er wat van zeg krijg ik te horen dat ik het pakje voor een dinar kan hebben en anders moet ophoepelen. Letterlijk! Ik ben opgehoepeld. Ik heb in Wadi Musa ook een fotorolletje laten ontwikkelen. Dat duurde twee dagen en de kwaliteit was uiterst matig, gevolg van slordig werken. De fotoman haalt zijn schouders op. Om Petra binnen te komen moet er entree betaald worden: twintig dinar. Dat is niet mis maar om een topattractie te kunnen zien moet je wat over hebben. Petra heeft helaas een Eftelingkarakter gekregen. Het barst er van de uitspanningen en in de meeste rekenen ze voor een kop thee een dinar. Het Forum restaurant durft zelfs 1,6 dinar – meer dan twee dollar – voor een kop thee in rekening te brengen! Zo kan ik nog wel een tijdje doorgaan. Het gedrag van de inwoners van Wadi Musa wordt gekenmerkt door geld aftroggelen, al dan niet door oplichting, en zo weinig mogelijk service bieden. De houding is afstandelijk, op het onbeleefde af: voor jou tien anderen. Ze leven er in een waan: de werkelijkheid is dat er geen tien anderen zijn. Het is er stil en van een restauranthouder hoorde ik dat het toeristenseizoen buitengewoon slecht is geweest. Volgens hem ligt het aan de Israëliërs maar ik heb het idee dat Wadi Musa ook eens naar zichzelf moet kijken. Ik ben niet de enige die verbijsterd is over houding en gedrag. Een Jordaniër uit Amman zei mij dat hij hier nooit meer terug zou komen. Bij zo’n bejegening worden toeristen afkerig om geld uit te geven. Dat ergert de plaatselijke bevolking, die wordt grof, daardoor worden toeristen nog afkeriger om geld uit te geven en zo krijg je een vicieuze cirkel. Een veeg teken voor Wadi Musa is de recente aanleg van een parkeerterrein voor bussen, direct naast de ingang van Petra. De restauranthouder die mij informeerde over het toeristenseizoen vertelde dat Israëliërs in Eilat dagtochten organiseren naar Petra en alles zelf meenemen. Zo gaat dat; de wal keert het schip vanzelf.

Dit bericht werd geplaatst in 2001: Midden Oosten, Midden Oosten en getagged met , , . Maak dit favoriet permalink.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s