Al Azraq

Al Azraq is een oasestadje zonder bezienswaardigheden of het zou het wetland reserve en het wildlife reserve moeten zijn. Het wetland reserve is nog maar een schim van de oorspronkelijke oase. Vroeger waren er honderdduizenden trekvogels, waterbuffels en andere dieren. Nu loopt het aantal vogels in de honderden en is de waterbuffel opnieuw geïntroduceerd. De oase is ten gronde gegaan aan het wegpompen van water voor Amman. De grootste bron is drooggevallen. Wat er nog van de oase over is wordt kunstmatig in leven gehouden door water uit diepere aardlagen op te pompen. Voor het wildlife reserve geldt hetzelfde. Je kunt er de Syrische struisvogel, oryxen en andere woestijn- en steppedieren zien die vroeger gewoon in het wild voorkwamen. Ongeveer twintig kilometer buiten Al Azraq ligt Qasr Amra, een jachtslot van de Umayyaden uit de achtste eeuw. Het bestaat uit een leefruimte met drie tongewelven, een badhuis en een waterput. De waterput is drooggevallen en nu een onderkomen voor vleermuizen. In het jachtslot zijn muurschilderingen te bewonderen maar, helaas, zwaar beschadigd door de tand des tijds en de vernielzucht van de mens. Wat er nog van over is, staat op de lijst van werelderfgoederen. Ik was de enige bezoeker en kreeg de sleutel van de zoon van de bewaker die zelf sliep.

Qasr Amra, een jachtslot van de Umayyaden.

Qasr Amra bij Al Azraq staat op Unesco’s lijst van erfgoederen.

Al Azraq past, qua klank en uitstraling, in het rijtje Hopa, Deir es Zor, Abu Kamal. Al Azraq is een grensplaats en een kruispunt van wegen. De Iraakse grens ligt tweehonderd kilometer verderop en de Saoedische maar vijfenvijftig. En juist daardoor heeft Al Azraq wel wat. De weg naar Saoedi Arabië: een aaneenschakeling van winkels, werkplaatsen en vooral restaurants. ’s Avonds baadt de weg in een zee van wit en groen tl-licht en de restaurantboys staan langs de weg om de Saoedi’s binnen te praten. Om dat te ondersteunen hangen de geslachte schapen aan grote rekken langs de weg, met de toekomstige slachtoffers aan het rek vastgebonden die in hun lot lijken te berusten. En ze komen, de Saoedi’s en de Koeweiti’s, ’s avonds en ’s nachts, soms met een Isuzu pick-up maar vaker met grote airconditioned four-wheel drives, Mercedessen, Cadillacs en een enkele Rolls Royce. Ze zijn op weg naar Syrië of Libanon waar ze – de mannen – de bloemetjes kunnen buiten zetten zonder dat het vragen oproept als bij een vakantie in Egypte (Egypte geldt in de Arabische wereld als liederlijk losbandig). De mannen eten in de restaurants, voor hen worden tapijten uitgerold en kussens neergelegd. De vrouwen blijven in de auto’s, schimmen achter zwaar getinte ruiten. Voor hen wordt het eten gebracht op dienbladen en in zakken en aangenomen door de nauw geopende deur. De keuken van de restaurants is aangepast aan de Saoedische en Koeweitse smaak: veel en vet. Overal stijgen grote rookwolken van de barbecues op en ruik je smeltend en brandend vet. Ik heb er ook gegeten; vooral het spek van de schapenstaart is erg lekker.

Al Azraq, geslachte schapen langs de weg.

Aan rekken langs de weg hangen geslachte schapen om de Saoedi’s en Koeweiti’s te lokken.

In Al Azraq heb ik geslapen in het Az Zoubi Hotel; een kamer met plafondventilator en badkamer. De ventilator werkte en dat was ook wel nodig. Overdag was de kamer heerlijk koel maar ’s avonds, als het buiten afgekoeld was, werd het binnen erg benauwd. Het was er gezellig. De beheerder is een Jordaniër die in Duitsland heeft gewerkt en vloeiend migrantenduits spreekt (alles “du”) en de overige personeelsleden zijn Irakezen. Ze schonken thee “for free”, soms op verzoek maar meestal uit eigen beweging. Op mijn verjaardag heb ik mijn motor gepoetst, onder het goedkeurend oog van het personeel. “Zal ik je even helpen?” “Nee, dank je, liever niet.” De mensen in het Midden-Oosten zijn hulpvaardig op een manier die weleens verkeerd uitpakt. Ik denk aan Muhammed in Palmyra die mijn motor wilde poetsen met een staalspons. Een aardige anekdote hoorde ik van een jongen die ik in Amman trof. Hij reist met een fiets en tent. Op een avond zet hij zijn tent op aan de rand van een dorp. Allemaal omstanders eromheen. Als hij klaar is zegt een omstander dat hij zijn tent beter in de hof van de moskee kan opzetten want daar zijn bomen. Dus tent afgebroken en weer opgezet in de tuin van de moskee, onder het oog van de voorganger. Als de tent staat zegt de voorganger dat hij ook wel in zijn huis mag slapen. Dus tent wéér ingepakt. Helaas blijft de voorganger gezellig praten tot een uur ’s nachts en hij wordt om vijf uur weer gewekt. De voorganger moet zijn dienst doen in de moskee en wil dan geen vreemden in zijn huis hebben. Fijn hè, die hulp?

Dit bericht werd geplaatst in 2001: Midden Oosten, Midden Oosten en getagged met , , . Maak dit favoriet permalink.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s