De vrijheid in Syrië

Van Syrië heb ik met pijn in het hart afscheid genomen. Ik ben erg op dat land gesteld geraakt. De woestijn met vlakten en jebels, het licht. En de mensen, vriendelijk en hoffelijk. Het “welcome” en “you are welcome” ligt hen in de mond bestorven en ze menen het. En het knuffelen: hand om je schouder, hand vasthouden, hand aaien, kus links en rechts. Het is aandoenlijk; zoiets kennen wij in Nederland niet. Natuurlijk valt er ook wat aan te merken. De wegbermen en de straten zijn bezaaid met vuilnis en het stinkt er soms heel erg. De vlees- en kippenverkopers: bakken met kippenlevers in de brandende zon, afgedekt met een plasticje zodat het goed kan broeien, geslachte kippen die voortdurend overgoten worden met hetzelfde water dat er ook afdruipt, zodat de bacillen zich goed kunnen verspreiden, ingewanden die in het open raam hangen. Spiervlees hangt in een koelvitrine maar er zit meestal zoveel ijs op de koelelementen dat van koeling nauwelijks sprake kan zijn. Cholera komt hier voor en dysenterie is endemisch.

Syrië heeft iets Oost-Duits. Ik was er in oogsttijd en zag lange rijen tractoren en vrachtwagens langs de weg. Een taxichauffeur met wie ik een ritje maakte vertelde dat het boeren waren die hun producten (tarwe, bieten) aan de staat moeten verkopen. Die heeft daarop een monopolie. Sommigen wachten meer dan twee dagen op het wegen en administreren van hun oogst. In Deir es Zor logeerde ik in Al Waha Tourist Club Motel; een staatsonderneming. Het was goed maar van alles net te veel: te veel airconditioning, te donker restaurant, te veel personeel. Net een Honecker hotel. En dan de kranten; er is één zelfstandige ’opstandige’ krant. De overige zijn allemaal in handen van de overheid. De Syrian Times, de officiële Engelstalige krant, bevat hoofdzakelijk lofzangen op de president (de oude en de nieuwe), negatieve berichten over Israël en verhalen over buitenlandse delegaties die hun banden met het regime willen versterken. Uitgebreide artikelen over het bezoek van een Soedanese handelsdelegatie en over christelijke kerken die hun steun aan het regime belijden. Niet erg opwindend allemaal. Zo te zien zijn er ook wel een paar verworvenheden die aan het regime toegeschreven kunnen worden: de relatief goede positie van vrouwen en de godsdienstvrede. Moskeeën en kerken staan er broederlijk naast elkaar. De synagoge die in Doura Europos is geborgen en tentoongesteld in het Nationaal Museum is óók een politiek teken. Godsdienstvrede is een passie van het regime.

Er is kritiek op het regime, openlijk. Mogelijk dat de nieuwe president op staatsfoto’s daarom zo zorgelijk kijkt. In Latakia sprak ik een student die er van droomde naar de Verenigde Staten te gaan; volgens hem is in Syrië alles verboden. In Aleppo vertelde een oude man mij over zijn dotterbehandeling in de Verenigde Staten; hij was lyrisch – Iedereen is hier lyrisch over de VS; president Bush moest een weten hoeveel bewonderaars zijn land heeft. In elk hotel staat de tv afgesteld op CNN. – maar Syrië was volgens hem morsdood. Hij zei het niet zachtjes maar luidkeels. Op een terrasje in Aleppo werd ik aangesproken door een zenuwachtige man, die mij fluisterend vroeg Amnesty International over zijn situatie in te lichten. Hij was al twee keer gearresteerd en gewaarschuwd niet meer met buitenlanders te praten. Toen ik hem vroeg of hij dan niet bang was met mij publiekelijk op een terras te praten, zei hij dat het vrijdag was en dan zitten alle leden van de geheime dienst in de moskee om daar de voorganger in de gaten te houden. Voor het regime had hij geen goed woord over, voor de nieuwe president nog minder dan de oude: “Hij is een opticien maar hij ziet niets.” Veel Syriërs zouden, volgens hem, “zelfs” hulp van Israël accepteren om van het regime af te komen. In Damascus bezocht ik een antiekverkoper. Hij toonde me een doosje van kamelenbot en vertelde dat het “van de joden” was. Alle joden waren vertrokken. Toen ik hem vroeg waarom, had hij een kort antwoord: in 1990 mochten ze het land uit en dat hebben ze gedaan, niet omdat ze vervolgd werden maar vanwege het dictatoriale regime. De antiekverkoper: “Zij wel, wij moesten blijven.” Ik gun de Syriërs wat meer vrijheid.

Dit bericht werd geplaatst in 2001: Midden Oosten, Midden Oosten en getagged met , , . Maak dit favoriet permalink.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s