Hallo, hier Beiroet…

Vanuit Baalbek de Libanon over. Sneeuw op de toppen en een transparant blauwe hemel erboven. Er zijn nog ceders, weliswaar maar een klein bosje, maar ze zijn er. Tripoli binnenrijdend ben ik geschokt: groezelige flats en overal de inslagen van kogels en granaten; de vingerafdrukken van de oorlog. Ook in het centrum zijn er verwoeste gebouwen maar het herstel is gaande. Van gedeelten van de soek is de overwelving hersteld en het ziet er netjes uit. Saoedi Arabië heeft zich over de stadsverlichting ontfermd. Langs de weg naar de haven zijn veel nieuwe appartementsgebouwen neergezet, modern met een luxe uitstraling. Het verkeer is tamelijk chaotisch en er wordt driedubbel geparkeerd. De stad is booming en dat is ook te merken aan de elektriciteitsvoorziening. Die hapert nogal; beter gezegd: er is af en toe stroom. Dat vraagt om zelfhulp. Voor de winkels en in de soek, overal staan kleine grommende generatoren buiten.

Tripoli heeft ondanks alles nog de vanzelfsprekende chic van een Zuid-Franse stad. Veel Frans koloniale huizen in onderkomen staat, brede avenues met palmbomen en ficussen, cafés met terrasjes waar je espresso en cappuccino kunt krijgen, patisserieën en croissanterieën. Frans is hier de tweede voertaal. En er zijn kranten, niet alleen in het Arabisch, maar ook Frans- en Engelstalige. De Daily Star lees ik op een terrasje onder het genot van een kopje koffie. De berichtgeving is gevarieerd en bevat geen ellenlange beschrijvingen van wat de president nu weer heeft gedaan, zoals in de Syrian Times. De Syrian Times is een vod van een paar pagina’s met vooral veel lovende artikelen over de president en over Syrië en negatieve berichten over Israël. Wel met Britse beleefdheid: het is ’mr. Sharon’. In de Daily Star wordt de man kortweg aangeduid met ’Sharon’. De kranten en de publieke opinie zijn erg anti-Israëlisch. Voor de rampen die Libanon zijn overkomen wordt Israël medeschuldig gehouden. Gisteravond maakte ik een wandelingetje langs de zee en de haven en ik ben daar aan de praat geraakt met twee jongens. Ze willen weten of ik ook de ‘Palestine Occupied Territories’ zal bezoeken. Ze bedoelen niet de Westbank maar Israël. Ik laat het antwoord in het midden. Het is duidelijk: voor Israël geen goed woord.

Ook in Beiroet is de oorlog goed te zien, meer dan in Tripoli. Hier en daar staan doorzeefde en uitgebrande flatgebouwen, waarvan het voormalige Holiday Inn hotel het meest in het oog lopend is. Volgens Omar (Irakees, medewerker van de Amerikaanse Universiteit van Beiroet, ontmoet in Palmyra) hebben zich in dat hotel jarenlang gevechten van verdieping tot verdieping afgespeeld (lijken werden uit de ramen gegooid en de tegenpartij een verdieping of wat lager schoot daar dan op; over de gekte van de oorlog gesproken). Het puin is geruimd; er is momenteel ruime parkeergelegenheid in Beiroet en er zijn ook veel gloednieuwe gebouwen verrezen. Central District, het brandpunt van de oorlog, is Libanons meest ambitieuze ontwikkelingsproject. Overal prachtige gebouwen, kopieën van de oorspronkelijke en heel moderne, maar het oogt alsof ze net uit het verpakkingsplastic komen (en dat is ook zo: bij een gebouw zag ik de krimpfolie nog om de smeedijzeren balkons zitten). Het is nogal surrealistisch, ook al omdat er nog bijna geen mensen wonen. De meeste gebouwen staan leeg, wachtend op kopers en bedrijven. Met Viqar (Brit, journalist; ook ontmoet in Palmyra) heb ik Oost-Beiroet bezocht. Oost-Beiroet is tamelijk goed uit de oorlog gekomen; dat wil zeggen: er zijn niet veel totaal verwoeste gebouwen maar elk gebouw draagt wel de sporen van kogel- en granaatinslagen. Mijn hotel staat vrijwel aan de Green Line, de scheidslijn tussen Oost- en West-Beiroet, eenzaam op een open vlakte. Het heeft de oorlog overleefd, zwaar gehavend. De benedenverdieping is opgeknapt maar in mijn kamer op de tweede verdieping zit geen glas in de sponningen (dat is niet erg want het is afgrijselijk benauwd in Beiroet). De muren van mijn kamer hebben een mozaïek van plankjes die inslaggaten verbergen. Uit het bad is een grote hap en de tegels zijn verwoest. Een granaat kwam precies door het badkamerraam, vertelt de hotelhouder. Ik betaal geen negentien maar vijftien dollar per nacht, korting omdat ik heb beloofd tenminste vier nachten te blijven.

Beiroet, Central District, Holiday Inn

Het Holiday Inn hotel waarin zich jarenlang gevechten van verdieping tot verdieping hebben afgespeeld.

Beiroet, de naam klinkt exotisch, kosmopolitisch, scharnierpunt tussen oost en west. Is Beiroet bruisend en kosmopolitisch? Vanuit het Midden-Oosten komend, in vergelijking met Riyadh of Djedda, zal het wel bruisend en kosmopolitisch zijn. Er zijn veel cafés, restaurants en winkels van de duurste soort. Maar er zijn ook heel veel banken en die staan niet bekend om hun bijdrage aan een bruisend leven. Toeristen zijn er vrijwel niet en de weinige buitenlanders werken bij de banken of de Amerikaanse Universiteit. De Beiroeti’s flaneren van terras naar terras en van café naar café en overal groeten ze bekenden. Het is een dorp, afgesneden van het grote leven. ’s Avonds flaneert heel Beiroet over de Corniche langs de zee, lopend of in auto’s met de muziek keihard aan. Anderen hangen op stoelen langs de weg. Ik mis iets in Beiroet. Viqar noemt het ’drive’ en dat lijkt me een goed woord. Er hangt een landerige sfeer. Iedereen wacht, maar waarop? De oorlog is voorbij, maar niet gevolgd door enthousiaste vernieuwing. De oorlog is vooral geëindigd omdat iedereen er doodmoe van werd en het geld opraakte. Volgens Omar zijn degenen die de oorlog begonnen nog steeds aan de macht. De oorlog heeft niets veranderd en de economie stagneert. Er is een kleine heel rijke elite (ik zag peperdure auto’s in de straten: Mercedes, BMW en Porsche) maar de gewone man heeft weinig. Jonge mensen die ik heb gesproken zijn teleurgesteld. Er is geen werk, iedereen wil weg; maar waarnaar toe?

De laatste dag in Libanon had ik het plan om het zuiden te bezoeken. Volgens Omar en Viqar zou het interessant zijn eens aan de grens te kijken en misschien zelf ook een steen naar de Israëliërs te gooien. Aan dat laatste heb ik geen behoefte maar de toestand eens bekijken leek me wel wat. Vanuit Beiroet is het gemakkelijk te doen; er gaat een snelweg naar het zuiden. Helaas, aan de rand van Sidon is een roadblock en ik ben uit de rij gepikt: motoren mogen niet door de stad. Auto’s wel en het mag ook op de fiets, per ezel of kameel maar niet met een motor. Vanwege vage veiligheidsredenen. Ik heb gesoebat maar zonder succes. De militairen waren beleefd en de chef van het roadblock heeft zelfs gebeld met De Generaal, maar het was nee en het bleef nee. Er werd wel een oplossing aangedragen: mijn motor kon op een pick-up geladen worden en naar de andere kant van Sidon gebracht. De chef had ook een visitekaartje van zo’n transportbedrijf. Dat aanbod heb ik afgeslagen omdat ik vermoedde dat er een handeltje werd gemaakt. Dus rechtsomkeert naar Beiroet. Tien kilometer ten noorden van Sidon is een afslag naar het Chouf gebergte. Dat leek me ook wel wat: door het Chouf gebergte naar de Bekaavallei en van daar naar Syrië, naar Damascus. Ik ben gekomen tot achter Jezzine en daar was weer een roadblock en weer hetzelfde liedje: geen motoren. Een verschil met het vorige roadblock was de nurksheid van de soldaten, op het agressieve af, vooral de leider van de troep. En dus weer dezelfde weg terug en richting Beiroet. Tweehonderd kilometer gereden en nergens gekomen.

 

Dit bericht werd geplaatst in 2001: Midden Oosten, Midden Oosten en getagged met , , , . Maak dit favoriet permalink.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s