Baalbek

Van Hama naar Baalbek in Libanon: veertig kilometer snelweg naar Homs, vervolgens twintig kilometer tot de grens en dan nog tachtig kilometer door de Bekaa vallei. Het passeren van de Syrische grenspost gaat soepel, in eerste instantie: bij politie en douane mezelf en de motor afmelden, registreren in het grote boek, exportvoucher uit het Carnet de Passage, stempeltje hier, stempeltje daar. Dan de laatste verplichting: het emigratiebureau. Daar hangt een groot bord: “Arabs and foreigners must show their passport and entrycard to the officer”. Ik heb wel een paspoort maar geen entrycard. Volgens de ambtenaar kan dat niet; ik moet een entrycard hebben en hij toont mij zo’n ding. Het is de kaart die ik met behulp van een Engelstalig voorbeeld heb ingevuld toen ik Syrië binnenkwam en die heb ik daar afgegeven aan de douanebeambte. “U moet een entrycard hebben.” “Ik heb geen entrycard.” Dat gaat een tijdje door. Er ontstaat wat consternatie; vier heren met in totaal tien sterren buigen zich over mijn geval. Mijn paspoort gaat van hand tot hand en van kamer naar kamer. Een van de heren gaat met mijn paspoort naar buiten. Ik wil hem volgen (eigenlijk: mijn paspoort volgen) maar ik moet blijven wachten (“even wachten, vijf minuten, alstublieft”). Mijn paspoort komt terug, wordt gestempeld (alweer) en ik mag gaan. Er is ergens een doorbraak bereikt.

De Libanese grenspost ligt tien kilometer verderop. Ik heb al gelezen over het bruisende nachtleven van Beiroet en van de energieke aanpak van de wederopbouw, dus ik verwacht een vlotte behandeling. Ze zullen wel blij zijn dat ik kom. Bij de Libanese grenspost zit een gedrongen vent in een camouflagepak, baret en zonnebril op. Hij verwijst me met een handgebaar naar het kantoor van de politie. Daarbinnen zit ook zo’n vent onderuitgezakt te telefoneren. Hij gebaart “paspoort”. Ik geef mijn paspoort en dat wordt doorgegeven aan een ondergeschikte. Hoe lang wil ik blijven? Ongeveer anderhalve week. Dat is dan vijfentwintigduizend Libanese ponden (iets meer dan zestien dollar). Overal in Libanon kun je met dollars betalen behalve aan de grens. Ik kan geld wisselen bij een kiosk die ook broodjes en snacks verkoopt. De kioskhouder rekent zichzelf een ruime provisie toe en ik vermoed enige samenwerking tussen hem en de grensbureaucraten. Voor de vijfentwintigduizend pond krijg ik een zegel en een stempel en word ik ingeschreven in alweer een groot boek. Nu de motor. Daarvoor moet ik bij een ander zijn, buiten. Die ambtenaar maakt er werk van. Met het Carnet de Passage in de hand wil hij álles verifiëren. Waar is het chassisnummer? Dat bevindt zich onder het zadel, daarvoor moet ik de bagage van de motor halen en daar heb ik geen zin in. Dus wijs ik op het merk, de kleur en het kenteken en vaag naar iets onder de motor. Daar is niks te zien, maar wil hij dat ontdekken dan moet hij diep door de knieën en daar heeft híj weer geen zin in. Hij is overtuigd, dit is de motor die op het Carnet is beschreven. Ik moet naar binnen voor de administratieve afhandeling: importvoucher invullen, weer een stempel in mijn paspoort, weer ingeschreven in een groot boek, motorpapieren tonen. Carnet, paspoort, motorpapieren, alles wordt gefotokopieerd en de fotokopieën worden in een envelop gedaan en in een kluis opgeborgen. Zoals overal staat ook in dit kantoor een bed want er wordt veel geslapen. Dan nog de finishing touch: de handtekening van de chef op het Carnet. Na anderhalf uur is alles geregeld en mag ik weg.

De weg naar Baalbek is vergeven van de roadblocks en van de portretten. Van de oude en de jonge Assad, van mij onbekende helden al dan niet in uniform en vooral veel van Iraanse imams. Dit is de Bekaavallei, dit is Hezbollahgebied. De burgeroorlog is voorbij maar de rekwisieten en de figuranten zijn er nog. In Baalbek scheuren veel BMW’s en Mercedessen rond, nieuwe maar vooral veel oude gedeukte exemplaren. Verder wemelt het er van de uniformen, op de ruïne en in het bijbehorende museum. Dat is symbolisch: de vechters worden in het museum opgeborgen en zo hoort het ook.

De ruïnes van Baalbek staan op de Unescolijst van werelderfgoederen: een Bachustempel en een Jupitertempel. Elke ruïne heeft zijn kenmerk. Van Palmyra is dat elegantie, van Baalbek is dat vooral massa. Er staan nog zes zuilen overeind van de Jupitertempel: twee meter in doorsnede en twintig meter hoog (volgens de beschrijving in het museum weegt elke zuil duizend ton). Een mens is kleiner dan de sokkel. De Bachustempel is redelijk intact, weliswaar iets kleiner dan de Jupitertempel maar ook hiervan zijn de afmetingen onbescheiden. Soldaten gebruiken de tempel om het abseilen te oefenen. Het museum is uitstekend verzorgd, mede dankzij het Duitse Archeologische Instituut. Het geeft een heel informatieve uitleg over de geschiedenis van Baalbek, over de architectuur, de constructie, etc.

Baalbek, Bachus tempel

Soldaten oefenen het abseilen langs de Bachus tempel

In Baalbek logeer ik in het Palmyra Hotel (dat is hetzelfde als een Amstelhotel in Rotterdam). Een dame op leeftijd, uit 1874, die aanzienlijk op haar vermogen heeft ingeteerd. De muren bladderen, het houtwerk heeft dringend een verfje nodig, deuren sluiten niet en het personeel heeft de pensioengerechtigde leeftijd ruim bereikt. Maar een dame gebleven, een Grande Dame! Een grote entreehal, een grote hal op de eerste verdieping, een grote eetzaal, marmeren vloeren, veel tapijten, oudheden en andere kunstwerken; lithografieën van Jean Cocteau aan de wand en foto’s van beroemdheden die er al dan niet gelogeerd hebben (niet: De Gaulle, Atatürk, Koningin Wilhelmina. Niet echt: Keizer Wilhelm. Wel: Jean Cocteau en Gertie Bierenbroodspot). Het personeel heeft ook de beschaving die hoort bij zo’n hotel; alles is versleten maar de bediening heeft cachet. Ik heb er twee keer gegeten; eenmaal steak au poivre en eenmaal tournedos aux champignons. Precies hetzelfde, alleen met champignons. Niet geweldig maar het bevalt me prima want de kebab, humus, muthabal, tabbouleh en yoghurt komen me de neus uit. Ik heb nu wel eens een visioen van een bruine boterham met roomboter en jonge Edammerkaas.

Dit bericht werd geplaatst in 2001: Midden Oosten, Midden Oosten en getagged met , , , , . Maak dit favoriet permalink.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s