De rivier, de woestijn en de stad

Ik reed vanuit Aleppo naar Deir ez Zor. Rechts de woestijn, eindelijk de woestijn: leeg en dood zo ver het oog reikt en heet als een oven. Links het Eufraatdal: scherp ingesneden, zo’n honderd meter diep, en vele kilometers breed. Vol en levend, groen: akkers, boom-gaarden, bomenrijen en veel irrigatiekanalen. De Eufraat is mijn liefde. In Turkije is ze nog een jongedame; snelstromend, gorgelend, grijswit van kleur. Is? Nee, was: de Turken hebben haar getemd met een groot aantal stuwdammen. Hier in Syrië is de Eufraat, vrij gelaten, inmiddels een rijpe vrouw; kalm stromend en blauw.

De Eufraat in Syrië.

De Eufraat: blauw en majestueus.

Tussen Deir ez Zor en Abu Kamal aan de Iraakse grens ligt op de rand van het Eufraatdal Doura Europos, een ruïnestad. De stad was nogal slordig gebouwd van tichels, veel leem en kalksteen met grote gipskristallen. Dat gips neemt water op en zet uit en dan kun je de rest wel raden. Behalve de verdedigingsmuur en de citadel staat er niet veel meer overeind. De ligging is bijzonder: op de achtergrond de woestijn en in de diepte beneden de Eufraat, blauw en majestueus, qua breedte tussen Maas en Rijn. Het ijle gejoel van kinderen op een zandbank en het geluid van de irrigatiepompen in de verte – “tsjoekjoek, tsjoekjoek, tsjoekjoek” – vangen de tijd. Uit een boekje haalt de bewaker een toegangsbewijs (driehonderd pond). Dat voorziet hij van een datum en scheurt het af langs een liniaal. Dat is nauwkeurig werk maar daar heeft hij ook de tijd voor: ik ben zijn enige gast en dat zal de rest van de dag ook wel zo blijven. Omdat ik zijn enige gast ben, heb ik thee met hem gedronken en zijn machinegeweer bewonderd. Volgens eigen zeggen schiet hij ermee op vogels. Er zijn veel vogels, vooral roofvogels die cirkelen in de lucht die tegen de wand van het Eufraatdal wordt opgestuwd. Als ik vertrek wuift hij me na met zijn machinegeweer. De weg naar Abu Kamal loopt niet vlak langs de rand van het Eufraatdal maar op enige afstand, in de woestijn. Langs de weg liggen kleine armoedige dorpjes, verzamelingen van losse huizen zonder stratenverband. De huiserven zijn netjes schoon gehouden maar het vuilnis hoopt zich op aan de kant van de weg. Er hangt een weeë lucht van rotting. In Abu Kamal heb ik getankt; “Irakese benzine” zegt de pomphouder vrolijk. Hij wijst me de grenspost even verder op. Volgens hem kan ik zo, zonder visum, Irak binnenrijden maar aanbevelen doet hij het niet: “Dangerous, they have nothing to eat”. Het klinkt als een verwijt. Ik neem de brug over de Eufraat – “Welcome, welcome” zegt de schildwacht – en rijd langs de noordoever terug naar Deir. De weg ligt op de riviervlakte. Dorpjes, akkers, irrigatiekanalen en af en toe ontmoet ik de Eufraat zelf. Lage dijken zijn in onbruik geraakt. De Eufraat is wel vrij maar haar krachten zijn haar ontnomen door de Atatürk stuwdam in Turkije. De geur van vuilnis wordt hier verdrongen door de geuren van koeienpoep, van aarde van de geploegde akkers en van het water van de Eufraat. Het is idyllisch in de namiddagzon.

Deir ez Zor is een regionaal bestuurs- en landbouwcentrum en een kruispunt van wegen. Langs de Eufraat, naar Palmyra en Damascus en naar de olievelden in het noordoosten. Een groezelige provinciestad. Het asfalt in de straten van het centrum vertoont diepe gaten en is bedekt met een laag opgedroogde modder. Vrachtauto’s beladen met watermeloenen en kuddes schapen die door de stad worden gedreven, zorgen voor dichte stofwolken. De mensen zijn niet erg toeschietelijk, ook niet vijandig, eerder afstandelijk. Ik had dorst toen ik arriveerde en ben eerst naar een theehuis gegaan. Niemand komt de bestelling opnemen. Ik moet naar binnen. De thee kost een pond zegt de man achter de toonbank; hij incasseert het geld en gaat verder met zijn gesprek. Als ik vraag naar hotels wijst hij vaag, daar ergens. Op de markt gaat het precies zo. Ik ben gewend aan “hey mister”: de uitnodiging om waren te bekijken (de koopman toont zijn meloenen of snijdt een peer voor je door en geeft je de helft) en om een praatje te maken. Hier niet; ik word niet geroepen en niet uitgenodigd. Ik gebruik mijn motorhelm altijd als handtasje: ik bewaar er mijn sleutels en leren handschoenen in en draag hem aan de kinband. In het gedrang voel ik iets; het is eigenlijk meer intuïtie. Ik kijk opzij en omlaag in het gezicht van een jochie. Betrapt! Hij heeft een handschoen. Ik pak de handschoen af en geef hem een klap. Het was een reflex. Eén handschoen; het kan niet anders zijn dan een trofee, het bewijs een buitenlander te slim af te zijn geweest, de verovering van iets exotisch.

Over de hotelaccommodatie in Deir ez Zor is de Lonely Planet tamelijk somber, “cheap dumps around the main square but these are all to be avoided” en “grotty singles/doubles”, maar ik vind het Al Waha Motel (“Toerizm Club”) even buiten Deir op de noordoever: een ruime kamer in een bungalow, altijd heet water en attent personeel. Toch heeft het Al Waha Motel iets van een vakantieoord van een Oostduits Volkseigentümliches Betrieb. Het restaurant is te koud (airconditioning te hoog), te donker (gordijnen dicht) en te sfeerloos (een grote lege zaal). Het licht in mijn kamer is koud en ongezellig en de airconditioning kan alleen op de hoogste stand functioneren. Het is bizar dat je in dit klimaat onder een deken moet slapen vanwege de airco. Voor alles moet een bonnetje geschreven en getekend worden en mijn paspoort willen ze als onderpand. De tuinen zijn piekfijn aangelegd met mooie grote palmen en overal prullenbakken. Het zwembad is nog onder constructie. Een biertje moet je in het restaurant drinken terwijl de obers ongemakkelijk om je heen staan. De kamer is naar Syrische maatstaven heel schoon maar in de badkamer trof ik een kakkerlak aan. Ik heb hem onder de schoen vermorzeld maar een kwartier later was hij weg! Daar kreeg ik een Terminator-nachtmerrie van: ik heb hem verpletterd maar na een paar minuten komt hij weer tot leven, ontbranden de rode lichtjes in de ogen, het pantser herstelt zich (je zou het kunnen horen: krrrnch, krrrnch, plof), de verfomfaaide voelsprieten buigen recht (krak, tsjak), de poten vouwen uit (krrrk, paf, krrrk), hij richt zich op (oehhm) en daar is hij weer, klaar om wraak te nemen. Angstaanjagend!

In Deir ez Zor wil ik mijn verblijfsvergunning laten verlengen. Aan een agent vraag ik de weg naar het immigratiekantoor en hij gaat me voor op zijn motor (alleen de politie beschikt hier over zware motoren) tot voor de deur en meldt daar mijn komst. In een kleine kamer houden vijf geüniformeerde heren bureau. Een van hen gebaart dat ik bij hem moet zijn. Ik moet twee pasfoto’s inleveren en een formulier in duplo invullen (met carbonpapier) en vervolgens nog een formulier met een andere lay-out maar ongeveer dezelfde vragen. Met formulieren en paspoort word ik naar de overkant van de hal gestuurd. Daar zetelt de chef van de immigratiedienst in een grote kamer met airconditioning, een portret van de president aan de wand, boeketten van kunstbloemen en draperieën. De chef heeft een groot bureau met daarop telefoon en fax en hij wordt door zijn ondergeschikten met veel eerbied benaderd. Ik geef hem mijn paspoort en formulieren. Hij kijkt ze door, zet een paraaf en stuurt me terug. De eerste ambtenaar bekijkt de paraaf van zijn chef, pakt een doos met stempels en zet er drie in mijn paspoort en vult een kaartje in. Met paspoort en kaartje word ik weer naar de chef gestuurd. Hij zet een paraaf in mijn paspoort onder de stempels en stuurt me weer terug naar de eerste ambtenaar. Die zet er nog een paraaf bij en ik moet vijftig pond (één dollar) betalen maar nu mag ik tot 18 juni blijven. Het was wat pingpongen, maar in een uurtje heb ik toch weer alles geregeld.

Van Deir ez Zor naar Palmyra is tweehonderd kilometer en mijn eerste echte kennismaking met de woestijn. Een vrijwel rechte weg en links een vlakte en rechts een vlakte en in de verte een rij jebels, heuvelruggen. Het is een landschap waarin niets verborgen blijft en dus ook niets te ontdekken valt. Geen doorkijkjes, geen confrontaties met iets heel moois of heel lelijks. Er waait een gloeiend hete wind. Tegen de wind in door de neus ademen doet pijn en ik krijg er een bloedneus van; de neusslijmvliezen drogen uit en barsten. De Syrische woestijn is overigens niet levenloos: er groeien verspreid grassen en lage struiken en er trekken Bedoeïenen rond in vrachtauto’s en op tractoren met kudden schapen en geiten. Het meest fascinerend van de woestijn is toch wel het licht. ’s Morgens vroeg, als het stof uit de lucht is neergedwarreld en er nog weinig turbulentie is, is het licht helder en scherp. ’s Middags is er alleen nog maar licht, een tapijtbombardement van fotonen dat het landschap plat slaat. ’s Avonds, tussen vijf en zeven, komt in het kruipend licht het landschap weer tot leven; de schaduwen worden lang en onthullen elk detail; het land richt zich op en krijgt reliëf en het is alsof de stenen licht geven, geel en oker. Dan wordt alles weer bleek en dof tot de nacht valt. In het maanlicht tekent de woestijn zich opnieuw af, nu in zwart en zilver.

De Syrische woestijn.

De Syrische woestijn is niet levenloos; er groeien verspreidgrassen en lage struiken.

Palmyra, midden in de woestijn, is één van de topattracties van Syrië. Het is de stad van koningin Zenobia die Palmyra in grandeur wilde laten wedijveren met Rome. Maar ze had ook een oogje op de keizerstroon en dat is Palmyra duur te staan gekomen. De Romeinen hebben haar verwoest. Dat Palmyra een uiterst elegante stad moet zijn geweest is nog in de ruïnes te zien. Lange zuilengalerijen verbinden de tempels en openbare gebouwen met elkaar. De grote tempel van Bel en het voorhof zijn goed bewaard gebleven. Palmyra is gebouwd van een mooie lichtgele kalksteen waarop de middagzon verblindend weerkaatst. Aan de rand van Palmyra ligt een hoge heuvel met daar bovenop een burcht. Vanaf die plaats heb je een mooi overzicht. Bij het vallen van de avond reiken de schaduwen van de omringende heuvels naar de stad en slokken haar op. De oase van Palmyra is een labyrint van weggetjes en irrigatiekanaaltjes. Het is als het Hof van Eden. Overal hoor ik het gemurmel van water. Achter lemen muren met gesloten poorten liggen tuinen met olijfbomen en dadelpalmen, granaatappel- en vijgenbomen. Het is een zee van groen en grijsgeel.

De tempel van Bel in Palmyra.

Palmyra: de grote tempel van Bel.

Wie in Palmyra aankomt wordt besprongen door de loopjongens van de hotels. Visitekaartje, “It is very good, shower, two hundred pound” en ze willen best wel vooruit rijden. Dat wimpel ik af, ik ga zelf op zoek en dat doe ik vanaf een terrasje. Door de eigenaar, die zelf geen hotel heeft, laat ik me inlichten over de mogelijkheden. Er komt een jochie met alweer een visitekaartje maar deze is handig; hij heeft een troef: “My hotel has garage for motor!” Dat wil ik wel. Na wat hotels bekeken te hebben kom ik bij zijn hotel; het is zeker een goede keus in de goedkope prijsklasse: grote hoge kamer met fan en douche en toilet voor driehonderd pond (zes dollar). En de garage? Ik mag de motor in de hal zetten! Met zijn drieën (ik, Muhammed en een hulpje van een jaar of acht) trekken we de motor de trap op. Oké, dat is óók een garage. Na een tukje te hebben gedaan kom ik weer beneden. Muhammed is de motor aan het poetsen! De schrik slaat me om het hart, want meestal wordt er geen water gebruikt maar alleen een vochtige doek waarmee het vuil in de lak wordt gewreven. Maar het valt mee: hij is in de weer met een emmertje met sop. Wel neem ik hem de staalspons af; de schade is beperkt gebleven tot een bekraste nummerplaat. ’s Avonds ziet de motor er weer schoon uit. Dat gaat geld kosten, dat begrijp ik wel. Hoeveel hij hebben wil? Evenveel als ik in Holland zou betalen, zegt de slimmerik. Daar begin ik niet aan. Ik had vijftig pond in gedachten maar geef hem honderd. Hij begint over tweehonderd pond. Dat heb ik in de kiem gesmoord. Hij wil ook een presentje uit Holland, dus offer ik mijn sleutelhanger met klompje. En hij wil foto’s. Hij is nogal veeleisend. Muhammed is naar eigen zeggen zestien jaar; ik schat hem hoogstens veertien. Hij is een soort middle manager; hij staat onder de baas – “Where is the boss?” “Boss not here, sleeps.” – maar heeft een hulpje dat hij kan koeioneren. Het ontbijt dat hij mij beloofd heeft heb ik nooit gekregen, want ’s morgens slaapt Muhammed – overal: voor de deur, op de bank, op de trap. Hij gebruikt het spiegeltje van mijn motor om toilet te maken – en is met geen stok wakker te krijgen. Bij vertrek probeert hij er nog wat uit te persen: driehonderdvijftig pond per nacht. Maar we hebben driehonderd afgesproken? Jawel maar het is toch een goede kamer geweest? Ook dat heb ik gesmoord met de mededeling dat hij niet voor ontbijt heeft gezorgd. En zo ben je bezig de teugels strak te houden.

Muhammed in Palmyra

Muhammed, trots op mijn motor.

Van Palmyra reed ik terug naar Hama. Niet over de hoofdweg via Homs maar over een binnenweg direct naar Hama. Ik ben om acht uur vertrokken. Het is dan nog lekker fris en dat blijft zo vanwege een stevige wind. De weg voert door een volkomen verlaten woestijngebied, er zijn zelfs geen Bedoeïenen. In de richting van Hama gaat de woestijn geleidelijk over in een steppe, dicht begroeid met gras, hoge struiken en verspreide bomen. En wat me opvalt: veel bloemen waaronder wilde anjers. Het is de invloed van de Middellandse Zee. De rit van Palmyra naar Hama is wat meer dan tweehonderd kilometer en daar doe ik vier uur over, dankzij de stevige tegenwind. Tegen twaalven kom ik in Hama aan bij het Riad Hotel. Ik word herkend – “Mathew” – en hoef mijn paspoort niet te laten zien. Ik ben een paar dagen in Hama gebleven om wat bij te komen (in Palmyra heb ik diarree gekregen) en uit te rusten. Lekker lezen op een terrasje en meeschuiven met de schaduw. Een man wil me wel de krant voorlezen maar wat ik zoek staat er niet in: internationaal nieuws. En ik ben hier om te internetten. Toen ik de eerste keer in Hama was, heb ik gebruik gemaakt van de computer van een fotohandelaar. Heel geheimzinnig: verscholen achter een gordijn achterin de winkel. Het adres werd me gefluisterd door de receptionist van het Riad Hotel. Nu is er een spiksplinternieuw internetcafé gekomen met een kleurig visitekaartje. De ontwikkelingen gaan snel!

De weg naar Hama.

De weg naar Hama.

Dit bericht werd geplaatst in 2001: Midden Oosten, Midden Oosten en getagged met , , , , , , , . Maak dit favoriet permalink.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s