Gewaden en sluiers

Ik bracht twee dagen door in Latakia. Daar is niet veel te beleven maar het is de meest westerse stad van Syrië en dus een goede plek om te acclimatiseren. Geacclimatiseerd en wel ben ik op weg gegaan naar Hama. Over de snelweg; ik had graag binnenwegen willen rijden maar weg van de snelweg zijn er geen Engelstalige richtingaanwijzers. Het is snikheet en ik heb mezelf zoveel mogelijk aan de hitte aangepast: T-shirt en spijkerjasje in plaats van de motorjas. Mijn leren motorbroek draag ik nog wel, uit veiligheidsoverwegingen en omdat ik er geen bergruimte voor heb. Natuurlijk draag ik ook mijn helm, hoewel dat een kwelling is in deze hitte.

Benzine is goedkoop, ongeveer 1 gulden per liter, maar zou slecht zijn. In Latakia tankte ik bij een Shell-achtig station. Dat wil zeggen: er waren Shellpompen maar dat bleken bij nadere inspectie afdankertjes uit … Nederland. Ik ben gestopt bij ’Euro loodvrij’ maar heb toch voor alle zekerheid gevraagd of het inderdaad loodvrij was. Daarop werd ik resoluut gedirigeerd naar ’Shell Formula’ waaruit bij ons (vroeger) tweetakt kwam. Ze bezworen me dat het loodvrij was. Ik heb geen probleem gehad; het toerental bleef constant en de motor behield zijn normale vermogen. Wel zag ik dat na mij een brommertje voorzien werd van brandstof uit dezelfde pomp. Dat hoeft niet verontrustend te zijn; ook in Turkije heb ik wel gezien dat een brommer van gewone benzine werd voorzien waaraan men later een kannetje olie toevoegde. Voor de zekerheid heb ik de octaanbooster ingezet. Volgens de tekst op het etiket gaat het pingelen tegen en is het goed voor de klepjes.

De Lonely Planet heeft me voor Syrië een beetje bang gemaakt door per hotel te vermelden of de lakens er wel schoon zijn en door te waarschuwen voor een “long lasting relationships with a dermatologist”. Het blijken Amerikaanse angsten. Hotel Al Nour in Latakia is eenvoudig maar schoon en steekt gunstig af tegen hotel Güney in Antakya waar de muren schimmelplekken hadden en de badkamer muf rook (geen ventilatie aangebracht). Al Nour is wel een dollarhotel (een hotel waar je alleen met dollars kunt betalen) en kost achttien dollar per nacht tegen zeven dollar voor hotel Güney. Alle waar is naar zijn geld. Hotel Riad in Hama wordt door de Lonely Planet aangeprezen als “spotless clean” en dat is het ook. Voor vijfhonderd Syrische ponden (tien dollar) heb ik een riant ruime kamer met plafondventilator, balkon met uitzicht over het stadsplein, badkamer en prima ontbijt. Hotel Riad is ingesteld op de jonge toerist en gezellig. De sfeer is ongedwongen (“Hey, Mathew, good morning”), er werkt een enthousiaste receptionist die alle Engelse dialecten kan nadoen (Schots, Australisch, Canadees, Amerikaans) en grappen maakt over mijn Oxford Engels en ze organiseren trips naar bezienswaardigheden in de wijde omgeving van Hama. Riad loopt als een trein; het zit behoorlijk vol en ik ben eindelijk een keer niet alleen.

Hama is een welvarend stadje aan de rivier de Orontes. Enige toeristische faam ontleent Hama aan de nouria’s, grote houten wielen die water opscheppen uit de rivier en overbrengen in aquaducten. Ze maken een aanhoudend grommend en steunend geluid – een houten as in een houten bed – en zijn de trekpleister van de stad. Ook de omgeving van Hama heeft veel bezienswaardigs. Met een door hotel Riad georganiseerd tripje heb ik het Krak des Chevaliers bezocht. Het is een kruisvaarderkasteel en zoals een kasteel moet zijn: met hoge en dubbele muren en torens, voorraadkelders, slaapzalen, een ridderzaal, een kerk en heel veel gangen. Alles is vrijwel intact en vanaf het Krak heb je een geweldig uitzicht over de vlakte en de Libanon in de verte. Je moet er geweest zijn; het is één van Syrië’s topattracties. Maar het leukste vond ik de tocht er heen: in een Pontiac Eight uit 1952! Wat een geweldig geval, met een enorme neus en veel chroom, een grote grille en koplampen met kappen. Geen auto maar een automobiel. Aan de binnenzijde was de Pontiac met zijn tijd meegegaan: veel meters (spanningsmeter, oliedrukmeter, benzinemeter, temperatuurmeter, snelheidsmeter, toerenteller), een digitaal klokje, airconditioning, elektrisch bedienbare ramen, radio en zelfs (mini)televisie aan boord. Het was een slagschip met bijbehorende rijeigenschappen maar dat verhinderde de chauffeur niet om als een dolleman over de weg te scheuren, links inhalend, rechts inhalend, bochten afsnijdend, op de autoweg honderdveertig kilometer per uur en dat alles begeleid met veel getoeter en lichtsignalen. De chauffeur beweerde dat hij deze auto al zesentwintig jaar reed en tot nu toe is het kennelijk goed gegaan.

Een Pontiac Eight, uit 1952!

Een Pontiac Eight, uit 1952!

Behalve toeristische faam heeft Hama ook een bedenkelijk verleden waarover meestal gezwegen en slechts door enkelen fluisterend wordt gesproken. In de jaren ’80 is hier een opstand geweest van Moslimbroeders tegen het Assad-regiem en die opstand is door het criminele broertje met veel geweld neergeslagen. Resultaat: duizenden doden en grote verwoestingen. Na de ijzeren vuist is de fluwelen handschoen gebruikt; de schade is hersteld en het leven teruggebracht. Hama is nu een levendige stad met langs de rivier druk bezochte parken, restaurants en veel feestverlichting. Het nieuwe reusachtige Cham hotel is echter een omineus teken. Het staat als een vreemd wezen in een open ruimte aan de rand van het centrum. Daar was vroeger de soek die bij het neerslaan van de opstand met de grond gelijk is gemaakt. Met die gruwelijke geschiedenis in het achterhoofd zijn de vele openbare en particuliere aanhankelijkheidsbetuigingen aan de Assad familie, inclusief het broertje, navrant.

Nouria in Hama.

Nouria: schept water uit de rivier en brengt dat over in een aquaduct. De bezienswaardigheid van Hama.

Geleidelijk maak ik kennis met de Arabische wereld. In Latakia zag ik het: het roken van de waterpijp. Dat zag ik in Turkije zelden; daar geldt het als ouderwets. Maar hier rookt iedereen de waterpijp: oud en jong, man en vrouw. Hippe jongeren aan de waterpijp, dat is wel even wennen. Niet in Latakia maar wel in Hama: veel mannen (maar niet de meerderheid) in lange gewaden: grijs, met een rood-wit geblokte hoofddoek, vastgezet met een zwart koord. Oudere mannen hebben er soms een vestje of colbertje over aan. Het staat meestal heel waardig. Wat door waardige mensen wordt gedragen staat ook waardig. De kleren maken niet de man maar laten hem zien, onthullen hem. Er zijn ook andere drachten. Mannen in enkellange witte gewaden met daaronder een witte broek en witte schoenen en een wit kalotje op het hoofd. En mannen in zwarte knielange hemden met een zwarte broek, zwarte schoenen en een zwarte hoofddoek met lange sjerp. Het staat heel martiaal. Denkelijk zijn de ’witten’ en de ’zwarten’ leden van een islamitische sekte. En ook: geheel gesluierde vrouwen (een minderheid). En als ik schrijf ’geheel’, dan bedoel ik dat ook: er is geen stukje huid te zien. Jas of gewaad tot op de enkel en handschoenen en kousen aan, alles zwart, en het gezicht bedekt met een doek. Het is spookachtig als je het voor het eerst ziet. Je hebt geen idee wie daar in zit, of er wel iemand in zit, of ze oud of jong is, knap of lelijk. Het is absolute anonimiteit. Het is fascinerend. Zij zien mij wel, maar ik hen niet. Zij kunnen mannen bekijken zonder zelf te worden bekeken; dat moet een feministische droom zijn. Als ik ze van dichtbij bekijk (onopvallend, hoop ik) dan zie ik dat het heel mooie stoffen zijn: kamgaren, zijde. Je bent geen sloof als je daarin loopt!

Dit bericht werd geplaatst in 2001: Midden Oosten, Midden Oosten en getagged met , , , , , , , . Maak dit favoriet permalink.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s