Oost-Turkije

Op weg naar Urfa ben ik de Eufraat overgestoken, zonder het te weten. Dat wil zeggen: ik merkte natuurlijk dat ik een rivier overstak maar ik veronderstelde dat het een zijrivier moest zijn. De Eufraat heeft blijkbaar nogal aan volume ingeboet door de Atatürk Baraji, de grootste stuwdam van Turkije. Ik wil dat monster wel eens zien. In elk ander land zou zo’n stuwdam een toeristische trekpleister zijn, maar hier is het een militair object. Ik moet me melden bij een wachtpost en mijn paspoort afgeven aan de commandant. Bij het bekijken van de dam word ik op de voet gevolgd door een soldaat met een verlegen glimlach en een kapotte lip waarop hij voortdurend bijt. Je kunt twee dingen doen: negeren of praten. Van negeren houd ik niet en dus wordt het praten. Ik vertel dat wij in Nederland geen stuwdammen hebben (je moet ergens je belangstelling mee verklaren). Dat weet hij: wij hebben windmolens! Ik heb hem blij gemaakt met een ansichtkaart van Kinderdijk. De dam is indrukwekkend maar toch niet zo’n monster als ik had verwacht.

De vlakte tussen Urfa en Diyarbakır is saai. Het intrigerende van een vlakte is de lokroep van de horizon: dáár achter…. Maar een vlakte zien is toch leuker dan er een over moeten. De enige onderbrekingen op de lange weg naar Diyarbakır zijn de roadblocks van het leger. In heel Turkije is het leger nadrukkelijk aanwezig maar Oost-Turkije lijkt wel bezet. De roadblocks zijn bemand door jandarma, militaire politie. Stoppen, paspoort laten zien. Een vlijtige soldaat doet de administratie met een potlood in een schriftje en nu heet ik ’Maastricht, Utrecht’. Dat heb ik maar zo gelaten. Ook na Diyarbakır zijn weer veel roadblocks maar de sfeer is steeds ontspannen en vriendelijk. Ik ben een verzetje, een buitenlander met een motor, ze willen de motor aanraken, ze willen een praatje en bieden thee aan. Als ik elk aanbod had aangenomen, zat ik nu nog in Oost-Turkije.

Voorbij Diyarbakır, na Silvan, klimt de weg de hoogvlakte van Anatolië op. Langzaam omhoog over meer dan honderd kilometer naar ongeveer achttienhonderd meter. Voorbij Bitlis kijk ik uit over het Vanmeer, omringd door bergen met besneeuwde toppen die spiegelen in het roerloze water. Aan de noordrand van het meer ligt Ahlat, dat op de kaart twee sterren heeft gekregen: een omweg waard. Ahlat heeft een grote begraafplaats uit de twaalfde eeuw. Tussen hoog gras en vroege voorjaarsbloemen staan verweerde grafstenen en een paar tombes met resten van tegelwerk, groen en blauw, dat glinstert in de zon. De doden zijn dubbel dood: ze zijn in de mist van de geschiedenis verdwenen; de grafstenen die zij lieten oprichten om ons aan hun bestaan te herinneren zijn betekenisloos geworden. Een tombe zou toebehoren aan emir Bayındır maar juist hem kan ik niet vinden in de lijst van heersers van Ahlat. Ik ben de enige bezoeker van de begraafplaats maar niet de enige levende ziel. Jongetjes uit het dorp hebben me gespot, klimmen over de muur van de begraafplaats en lopen zo’n twintig meter achter me. Als ik me omdraai stuift de groep uiteen, ze verstoppen zich achter de grafstenen en roepen vandaar “mister, mister”. Vermoedelijk hebben hun ouders hen ingeprent “Ga nooit met een westerling mee want dat zijn christenen en die eten je op.” Er is enige grond voor die waarschuwing. Hoewel Turkije een seculiere staat is valt het christelijke erfgoed, zoals de in tufsteen uitgehakte kerkjes in Cappadocië en ook het Armeense kerkje op het Akdaman eiland in het Vanmeer, ten prooi aan vandalisme. Fresco’s zijn zwaar beschadigd, bekrast en bespoten met graffiti. Het is ergerlijk en dus niet meer dan logisch dat, bij wijze van wraak, af en toe een dadertje wordt opgegeten. De bewaker van de begraafplaats jaagt de kinderen weg. Hij beveelt een hotel aan: “güzel ve temiz” (mooi en schoon). Het is een driesterrenhotel en vergane glorie: de vloerbedekking ligt los, de deuren hangen uit hun hengsels en de helft van de verlichting doet het niet. Maar het is redelijk schoon, er is een warme douche en het uitzicht over het meer is adembenemend. Ik heb de bergen in de nacht zien verdwijnen en dat is net zo mooi als de zonsopgang op de Nemruth Dağ. En ’s avonds canlı musik (levende muziek) en dansen.

De begraafplaats van Ahlat uit de twaalfde eeuw.

Ahlat heeft op mijn kaart twee sterren – een omweg waard – vanwege de begraafplaats uit de twaalfde eeuw.

Langs de oever van het meer en verder omhoog tot zesentwintighonderd meter door bazalt- en lavavelden, over een pas naar Doğubayazit en dan langs de Armeense grens over Igdir naar Kars. Achter me ligt de Ararat met zijn witte hoed en rechts in Armenië een enorme schildvulkaan (de Ararat is een kegelvulkaan). Na Igdir is het net het Land van Mordor: een verlaten streek in koudgeel namiddaglicht; geen bomen, geen dorpen, geen akkers. Alleen wachtposten en roadblocks. Geen jandarma maar gevechtseenheden: harde koppen, machinegeweren en pantserwagens. De sfeer is grimmig en de instructie kort: niet van de weg af, niet stoppen. Vanaf heuveltoppen houden ze me in de gaten. Blijkbaar vreest Turkije de Armeniërs nog meer dan de PKK. Ik heb bij de roadblocks wel thee gedronken maar gezellig was het niet. De jongens zijn gespannen en gaan dan dollen: op de motor, aan mijn helm, willen de koffers open zien (“dollars?”). Hoe vervelend het wordt is afhankelijk van het gezag en het voorbeeld van de commandant. Bij een van die roadblocks werd het machinegeweer op me gericht en ontgrendeld en dan maar kijken hoe ik reageer. De commandant vond het vermakelijk. Ik ben er koud onder gebleven – uiterlijk koud, ik had even het idee de geschiedenis in te gaan als diplomatiek incident – en dat oogstte enige waardering. De situatie werd in rustiger banen geleid door een soldaat. Hij vroeg waar ik vandaan kwam en vertelde met een Nederlandse vrouw, uit Nijmegen, getrouwd te zijn geweest. Het huwelijk was op de klippen gelopen vanwege ‘culturele verschillen’. De andere soldaten hingen aan zijn lippen en de commandant had het nakijken. Soms zijn soldaten verstandiger dan hun commandant. Vanwege de vele roadblocks werd het tamelijk laat en door de laagstaande zon was het moeilijk de vele gaten in het wegdek te zien. Ik ben in een gat gereden; een flinke klap maar geen schade. Om zeven uur ’s avonds was ik pas in Kars en ook daar moest ik nog opletten want op de weg ontbraken putdeksels.

De Ararat, een kegelvulkaan.

De Ararat in het kale steppelandschap van Oost Anatolië.

En wéér een pas over, nu 2700 meter, naar Hopa aan de Zwarte Zee. Het is erg koud, er ligt sneeuw en de weg wordt slecht. De gaten worden groter, geleidelijk verdwijnt het asfalt en maakt plaats voor steenslag. Maar het uitzicht op de pas is fantastisch: hoge bergtoppen, sneeuw, lavavelden, jagende wolken en peilloze diepten. Er komt een auto voorbij en een busje met beslagen ruiten. Niemand waagt zich in de kou. Maar als ik ze nodig heb zijn ze er: twee Turken helpen mijn op de steenslag schuivende motor onder controle te krijgen, aan de rand van de afgrond. Het was een akelige situatie. Ik stond wel stil maar in een soort patstelling: bij elke beweging schoof de motor. Gooide ik het stuur om dan schoof het voorwiel richting afgrond; probeerde ik de fiets plat te leggen dan schoof het achterwiel richting afgrond. En zo komt het verlies van de motor langzaam dichterbij. Goddank zijn er redders in de nood. Ze zijn wel argwanend; ze vermoeden dat ik een illegale prospector ben – volgens hen zou het er vol met goud liggen – en ze houden me nog een tijd in de gaten. In haarspeldbochten gaat de weg naar beneden. Het asfalt komt terug, het laatst in de bochten. Om zeven uur ’s avonds ben ik in Hopa, afgepeigerd.

Hopa heeft niets, behalve dat het aan de Zwarte Zee ligt en niet ver van de Georgische grens is. Desondanks ben ik er een dag gebleven, om bij te komen. De hemel is grijs en het motregent af en toe. Er zijn opmerkelijk veel Russische gezichten: brede jukbeenderen, dun blond haar en waterig blauwe ogen. Zoals de jongens van het tankstation waar ik mijn motor poets. Ze komen uit Georgië of Abchazië. Ons gesprek gaat met handen en voeten. Het zijn ’vrije jongens’, ze gaan waar het geld gaat en hebben iets onduidelijks met Russische hoeren. Het zijn aardige jongens met slechte gebitten. Ze komen regelmatig mijn poetswerk inspecteren en vooral mijn pakje sigaretten. Het poetsen heeft een middag in beslag genomen maar dan ziet de motor er weer uit om door een ringetje te halen. Voor even: bij vertrek uit Hopa regent het en de weg is opgebroken en veranderd in een grote modderpoel.

De weg van Hopa via Trabzon naar Samsun staat op de kaart aangegeven met een groene lijn (’mooi’) maar is geen onverdeeld genoegen. Het is een belangrijke doorgaande route, er wordt aan de weg gewerkt en het verkeersgedrag is abominabel. In een bocht komt een grote truck recht op me af, op mijn weghelft. Gelukkig is de snelheid laag; ik kan lichtsignalen geven en op mijn voorhoofd wijzen. De enige reactie van de vrachtwagenchauffeur: de handen ten hemel heffen. Hij heeft ‘Allah Korusunus’ (Allah beschermt) op zijn truck staan. Dus de berm in want dat ‘korusunus’ geldt alleen voor hem, niet voor mij. Zo iets gebeurt nog eens op een lang recht stuk weg dat door de tegenpartij gebruikt wordt om eens goed in te halen. Lichtsignalen helpen niet; ze knipperen gewoon terug en dus weer de berm in. Het wegdek en het verkeer eisen dusdanig veel aandacht dat voor de omgeving weinig overblijft. Wel zag ik een groep dolfijnen.

Aangezien Samsun niets te bieden schijnt te hebben ben ik verder gereden. De hele dag zag ik leuke hotels en pensions maar na Samsun geen enkel. Dat is een wetmatigheid van het reizen: als je iets niet nodig hebt is het overal, heb je het nodig dan is het er niet meer maar heb je het echt desperaat nodig dan is het er plotseling weer wel, zij het in een andere gedaante dan je je voorgesteld had. Om zeven uur ’s avonds vond ik eindelijk het Turistik Otel in Yayakent. Pal aan de Zwarte Zee. Voor 10 miljoen lira, maar eerst moest de kamer nog worden schoon gemaakt. Het plafond lekte en blijkbaar al enige tijd want er had zich een kleine stalactiet gevormd. Een verlopen badhotel maar de douche was warm en ik heb er goed geslapen hoewel het bed muf rook en gordijnen ontbraken. Ik heb er ’s avonds lekker gegeten en bier gedronken en weer genoten van canlı musik: een zangeres en een keyboardspeler. De zangeres was klein van stuk en een tikje mollig. Ze was nogal op me gesteld: met haar vingers door mijn haar, lekker tegen me aanleunen, vlak voor me komen zingen, borstpartij onder mijn neus, etc. Ik zag dat aan andere tafeltjes geld in haar bh werd gestopt. Daar had ik geen trek in; gewoon uit krenterigheid. Ik heb het later nog een beetje goed gemaakt door haar een raki aan te bieden en de keyboardspeler een fooi te geven. Hij speelde niet alleen goed maar zong ook beter.

Ik heb lekker ontbeten en opgewekt het Turistik Otel verlaten. Vrijwel direct na Yayakent passeer ik twee pensions, vast en zeker met een mooi groot bed en een moeder die heerlijk kan koken; de wetmatigheid van het reizen. De kustweg is rustig en heel mooi: soms langs de zee en soms hoog tegen de bergen op. En groen! Niet van dat pastel zo-weer-weg-groen van Zuid-Turkije maar dikvet boomgroen. En je kijkt uit over de zee. Met mooi weer is de Zwarte Zee een beetje melkachtig blauw. Er drijven nevels over en die komen soms op het land. Ik heb genoten!

Dit bericht werd geplaatst in 2001: Midden Oosten, Midden Oosten, Turkije en getagged met , , , , . Maak dit favoriet permalink.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s