Meneer Kommagene

De weg van Malatya naar Adiyaman kruist het Taurusgebergte. Dat is mooi zoals elk gebergte mooi is. Als je er doorheen bent, dan ligt de onmetelijke vlakte van Zuid-Turkije voor je, zo ver als je kunt kijken, en daarin heeft de Eufraat een diepe kras gemaakt. Bij Kahta, niet ver van Adiyaman, ligt de Nemrut Dağ, een hoge bergtop in de Taurus, en daar wil ik naar toe. Bovenop liggen een tumulus (grafheuvel) en twee tempelruïnes, maar je gaat eigenlijk naar boven voor de zonsopgang of de zonsondergang. Aangekomen in Kahta vraag ik aan een paar jongens de weg. Die knapen kijken me aan en wijzen naar beneden schuin achter. Ik draai me om: een lege band! Hopelijk is het alleen maar het ventiel. Ik vraag waar ik perslucht kan krijgen: “Hava, nerede?” Inmiddels heeft zich een groepje mannen en jongens verzameld: “Hello, where are you from? What is your name?” etc. Dat is niet de conversatie waar ik nu veel zin in heb. Er komt een vent bij die zegt: “Come eat in my restaurant.” Ik maak hem duidelijk dat ik meer behoefte heb aan perslucht. Antwoord: “Yes, yes, but my restaurant very good”. Dit is óók Turkije. Ik ga zelf op zoek en vind driehonderd meter verderop een Shell-station. Dat is eigenlijk ’van ons’ en dus bekend terrein. Maar perslucht, ho maar. Schuin aan de overkant zit Türk Petrol. Op mijn vraag naar perslucht wijst de Turk van Petrol naar buiten. Daar staat een bordje ’hava/su’ (lucht/water), met daaronder twee zielige pijpjes. Wel een bordje, maar niks aan-gesloten. Bij BP verderop hetzelfde liedje. Inmiddels heeft zich weer een groep gevormd. Er komt een man bij die vraagt wat het probleem is. Ik wijs op mijn band en zeg “hava!”. Hij knikt en loopt voor me uit de straat over naar een bedrijf met het opschrift ’otolastık’ en daar hebben ze perslucht (ik had me al eerder afgevraagd wat toch ’otolastık’ betekent. Nu weet ik het: bandenreparatie). Het probleem is voorlopig opgelost. Ik kijk de band na maar er is niets te zien. Toeval? Ventiel misschien ergens door kinderen ingedrukt?

Hij vraagt of ik een hotel zoek. Kijk, dat is een verstandig iemand: hij weet dat eerst mijn probleem opgelost moet zijn voordat ik belangstelling kan hebben voor zijn hotel. Ja, natuurlijk wil ik nu een hotel. Met een dubieuze achterband wil ik de Nemrut Dağ niet op. Hij blijkt de eigenaar van hotel Kommagene. Ik mag die man onmiddellijk. Hij biedt me thee en een sigaret aan en we bespreken de mogelijkheid met de motor de Nemrut op te gaan. Dat raadt hij af. Vorig jaar heeft een Duitser het geprobeerd en die is gevallen en heeft twee weken op nieuwe onderdelen moeten wachten. Aan zo’n horror heb ik geen behoefte en gelukkig biedt hij aan mij naar boven te brengen. Hij kan een ’big tour’ organiseren. Ik heb meer zin in een ’small tour’ en vraag hoeveel dat kost. Hij maakt een ’all in’-prijs op: kamer, ontbijt, diner in een leuk restaurant, de tocht naar de top van de Nemrut Dağ en toegangskaartjes natuurlijk. Dat is een methode om een ondoorgrondelijke en vooral dikke prijs te maken en inderdaad: vijfenzeventig miljoen lira. Dat is behoorlijk fors maar niet exorbitant. Waarschijnlijk ben ik zijn enige klant (wat later ook zo blijkt te zijn). Ik ga akkoord; ik besef dat ik in het donker naar boven moet als ik de zonsopgang op de Nemrut wil zien en dat doe ik liever niet met de motor, nog afgezien van de dubieuze achterband.

Wie de zon wil zien opkomen moet vroeg opstaan: om drie uur en om half vier vertrekken. Eerst langs de benzinepomp waar de pompbediende met getoeter wakker wordt gemaakt (dat is 24-uurs service). Dan naar de bakker waar meneer Kommagene (ik weet niet hoe hij heet en noem hem naar de naam van zijn hotel) een onwaarschijnlijke hoeveelheid brood inslaat; hij blijkt nog een ontbijt- en ansichtkaartenhandeltje te hebben in de berghut onder de top van de Nemrut Dağ. Van de bakker krijg ik ook een vers warm brood en een kop thee; zo gaat dat in Turkije. Dan kunnen we vertrekken. Het eerste deel van de weg is goed maar dan wordt de weg slechter en de laatste tien kilometer zou ik zeker niet op de motor hebben gedaan. Meneer Kommagene heeft gelijk gehad met zijn waarschuwing. Om kwart voor vijf zijn we boven. Het ochtendgloren hangt al in de lucht. De laatste vijfhonderd meter moet je lopen, dus dat is opschieten als je de zonsopgang wilt zien, maar ik ben ruim op tijd boven samen met een paar Turken. En zelfs daar: ”Hello where are you from? Do you like Turkey?”. En ze moeten ook even de mobiele telefoon uitproberen. Ja hoor, hij doet het, ook hier!

Nemrut Dag, godenbeelden.

Beschutting tegen de wind, tussen de benen van god!

Aan de oostzijde van de Nemrut ligt een tempelruïne met enorme godenbeelden. Het is boven vreselijk koud en er staat een snijdende wind maar ik vind beschutting tussen de benen van god. Het uitzicht is fantastisch. De aarde ligt nog in het nachtelijk duister maar de hemel is donkerblauw, lichtblauw, groen, geel en oranje naar de horizon toe. De morgenster staat hoog aan de hemel. Langzaam komt het land uit de nacht te voorschijn, eerst in contouren en later in vlakken. Er verschijnt een donkerrode vlek op de plaats waar de zon zal opkomen Een oranje lichtflits, de eerste zonnestraal! Langzaam komt de zon te voorschijn, rijst op, maakt zich los van de aarde en wordt van oranje geel. Over de tempelruïne van de Nemrut hangt een onwezenlijk geel licht. Niets heeft nog zijn eigen kleur en overal zijn lange schaduwen. Het licht is goddelijk, een aanbidding waard; ik begrijp waarom hier een tempel staat. Om zes uur is het gewoon ochtend en ga ik naar beneden naar de berghut. Die blijkt vol te zitten met een grote groep vrouwen en wat mannen die niet op de top zijn geweest. Er wordt ontbeten en gezongen en er worden gedichten voorgedragen. Veel applaus. Meneer Kommagene heeft ondertussen goede handel aan ansichtkaarten en boekjes (hij geeft mij onderwijl knipoogjes). Als iedereen eindelijk weg is en de rommel opgeruimd vertrekken wij ook. Meneer Kommagene besluit er toch een ’big tour’ van te maken. Hij brengt me langs een kasteel, een ruïne en nog een tumulus en naar een Romeinse brug. Om kwart over negen zijn we weer terug in het hotel.

Zicht vanaf de Nemrut Dag, vroege ochtend.

Het Taurus gebergte in ochtendlicht.

De rest van de dag is voor de motor. De achterband is weer leeg dus aan het ventiel ligt het niet. De otolastikman kan wel banden repareren maar geen wiel demonteren en weer monteren. Dat moet ik zelf doen. Met de handleiding van BMW ga ik aan de slag: achterspatbord verwijderen, asmoer losdraaien, ketting ontspannen en ketting van het tandwiel trekken, asmoer geheel verwijderen en as uitnemen, het wiel achterwaarts uitrollen en klaar is kees. Het is een fluitje van een cent behalve “ketting van het tandwiel trekken”. Dat moet gelezen worden als “ketting van het tandwiel laten lopen” ontdek ik na wat gepruts. Ook verwijder ik nog de remschijf en het tandwiel want ik voorzie ruwe werkzaamheden bij de bandenreparatie. Met het wiel naar de otolastikman want het loshalen van een band gaat niet zo maar. “Ga met uw volle gewicht op de band staan en trap de hiel naar binnen”, staat in de handleiding maar dat gaat niet; ik ben blijkbaar niet zwaar genoeg. De otolastikman heeft daarvoor een mooi hydraulisch apparaat. In een mum van tijd heeft hij de band van de velg, de binnenband er uit, het lek gevonden en de band geplakt. Mijn voorstel een nieuwe binnenband erin te zetten en de oude als reserve in te pakken wordt verontwaardigd afgewezen; blijkbaar denkt hij dat ik twijfel aan zijn vakmanschap (wat ik inderdaad deed, ten onrechte). Met een gerepareerd wiel en twee miljoen lira lichter, minder dan twee dollar, ga ik terug naar het hotel voor de montagesessie. Zoals altijd blijkt monteren stukken moeilijker dan demonteren. Er komt nogal wat bij kijken. Eerst tandwiel en remschijf monteren (gemakkelijk), dan moet de ketting aan de binnenzijde van het tandwiel gelegd worden (ook niet moeilijk), daarna moet het wiel ingerold worden zodat de remschijf in de remklauw komt (veel lastiger) en uiteindelijk moet de as weer door het oog van de remklauw en door het wiel gestoken worden (en dat is heel lastig). Met veel zweet en hulp van een van de hoteljongens lukt het me na twee uur eindelijk het hele zaakje in elkaar te zetten. Ik ben trots op mezelf en tot op heden is er nog geen nieuw lek en blijkt uit niets dat ik verkeerd gemonteerd zou hebben.

Dit bericht werd geplaatst in 2001: Midden Oosten, Midden Oosten, Turkije en getagged met , , , , . Maak dit favoriet permalink.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s